Wat zegt ie?

ondertiteld West-Vlaams

 

Eind 2001 wilde het Genootschap Onze Taal van me weten wat me het afgelopen jaar opgevallen was als het om taal in de ruimste zin van het woord gaat. Lang heb ik er niet over hoeven na te denken. Nederlandstaligen blijken elkaar steeds minder goed te verstaan en te begrijpen, als je bedenkt hoe vaak ze zichzelf ondertitelen. Nederlanders ondertitelen Vlamingen, Vlamingen ondertitelen Nederlanders én andere Vlamingen. Twee jaar later wordt er naar mijn gevoel nog meer ondertiteld, ook door mijn eigen omroep, de VRT. Nieuw is dat Nederlanders nu ook zichzelf steeds vaker ondertitelen.

In deze bijdrage belicht ik verschillende facetten van zogenoemd intralinguaal ondertitelen, een aanduiding die de afdeling linguïstiek van de Leuvense universiteit bedacht heeft. Intralinguaal ondertitelen is een dure term voor het ondertitelen van Nederlands in het Nederlands. Ondanks de ronkende terminologie moet u van mij geen hoogdravende academische bespiegelingen verwachten: ik ben geen theoreticus, maar een man van de praktijk, die de zaak nuchter en vooral door de ogen van de kijker bekijkt. Vragen die hier aan de orde komen, zijn: Wat is ondertitelen? Wat is er specifiek aan intralinguaal ondertitelen? Welk beleid voert de VRT? En heeft dat een taalpolitieke dimensie?

Een kunst

Ondertitelen is het weergeven in tekst van wat in een vreemde taal of het Nederlands gezegd wordt. De meeste kijkers zijn vertrouwd met open ondertiteling, waarbij de tekst in witte letters in maximaal twee regels onderaan op het tv-scherm geprojecteerd wordt. Meestal gaat het om vertalend ondertitelen, maar het kan ook om het weergeven van Nederlandse spraak gaan. Daarnaast is er gesloten ondertiteling, die via de teletekstpagina's uitgezonden wordt en in de eerste plaats voor slechthorenden bedoeld is.

Voor beide vormen van ondertitelen gelden bij de VRT regels die het werk van de (vertaler-)ondertitelaar extra bemoeilijken. Ter wille van de leesbaarheid is elke ondertitel om te beginnen beperkt in tijd en ruimte. De ondertitelaar beschikt over maximaal twee tekstregels en de projectieduur van de tekst wordt bepaald door het aantal tekens.

Bij open ondertiteling bepaalt de zesseconderegel het aantal beschikbare tekens per ondertitel als functie van de projectieduur. De regel stelt dat een ondertitel van twee volle regels zes seconden in beeld moet blijven staan. Uit psycholinguïstisch onderzoek aan de universiteit van Leuven is gebleken dat een gemiddelde kijker die tijd nodig heeft om de tekst comfortabel te kunnen lezen en nog naar het beeld te kunnen kijken. Zo'n volle ondertitel bevat gemiddeld 66 tekens. De gemiddelde leessnelheid is dus 11 tekens per seconde (66 tekens in zes seconden), spaties en leestekens inbegrepen. Als een regel van drieën bepaalt de zesseconderegel hoeveel tekens een ondertitel mag bevatten. Bijvoorbeeld, een ondertitel die vijf seconden in beeld staat, kan 55 tekens (5 x 11 tekens) bevatten.

Bij gesloten ondertiteling, via teletekst, gelden een paar extra regels. De leessnelheid ligt hierbij – misschien anders dan verwacht – hoger dan bij open ondertiteling en bedraagt 13 tekens per seconde. Uit eigen VRT-onderzoek is gebleken dat de doelgroep (slecht- en niet-horenden) een hogere leessnelheid verkiest omdat op die manier in dezelfde tijd meer tekst weergegeven kan worden. Gesloten ondertiteling vraagt ook meer tekst omdat slecht- en niet-horenden de extra informatie die horende kijkers via het geluid oppikken, geschreven aangeboden moeten krijgen. Bij open ondertiteling worden bijvoorbeeld eenvoudige antwoorden als ja en nee meestal weggelaten omdat de kijker ze hoort en begrijpt, ook in min of meer vertrouwde talen als Engels, Frans en Duits. Bij gesloten ondertiteling moeten ze weergegeven worden. Anders krijgt een slechthorende kijker bijvoorbeeld bij een verhoor alleen maar de vragen van de rechercheur maar niet de antwoorden van de arrestant als die bestaan uit bijvoorbeeld ja of nee. Ook niet-talige informatie moet gegeven worden, zoals: er wordt op de deur geklopt, de telefoon gaat over. Elke belangrijke spreker wordt geïdentificeerd door zijn of haar eigen tekstkleur (vooral geel, groen en blauw worden gebruikt), zodat de slechthorende kijker weet wie er aan het woord is, ook als de spreker niet in beeld is.

Bij beide vormen van ondertiteling dwingt de leessnelheid de ondertitelaar in een strak keurslijf. In vijf seconden zeggen sommige sprekers erg veel, andere erg weinig, maar in beide gevallen heeft de ondertitelaar precies evenveel tekens tot zijn beschikking. In de praktijk kan hij meestal niet anders dan samenvatten wat er gezegd wordt. Een spreker woordelijk weergeven kan hij vrijwel nooit. De kunst van het ondertitelen bestaat erin de oorspronkelijke boodschap inhoudelijk en stilistisch zo goed mogelijk weer te geven.

Een delicate kwestie

Voor het ondertitelen van Nederlands in het Nederlands gelden dezelfde regels als voor het vertalend ondertitelen. Maar behalve een technisch moeilijke oefening is het vooral een delicate kwestie, die zorgvuldig afgewogen moet worden, als gevolg van de talige en vooral niet-talige aspecten ervan. Open ondertiteling van Nederlands ligt zeer gevoelig bij horende kijkers. Getuige daarvan zijn hun reacties erop, niet alleen in brieven en e-mails aan de omroep, maar ook in kranten en tijdschriften en in discussies op internet.

Ondertitels helpen bij het luisteren, maar ze hebben ook ontegensprekelijk grote nadelen.

Ondertiteling kan de sfeer van een programma breken. Bij de 'omtaling' van dialect of tussentaal in standaardtaal kan veel emotionele waarde of authenticiteit verloren gaan. Daarom is het misschien niet altijd wenselijk een krachtige getuigenis te ondertitelen. Ook grafisch staan ondertitels vaak in de weg, al geldt dat argument evengoed voor vertalend (of met een duur woord) interlinguaal ondertitelen.

Ondertiteling kan beledigend zijn voor de spreker. Hij wordt opgevoerd als iemand die onverstaanbaar of krom spreekt. In België ligt dat vooral gevoelig bij sprekers uit de randprovincies West-Vlaanderen en Limburg. Een kijker schrijft: "Zou het mogelijk zijn in de toekomst ook het Antwerps dialect te ondertitelen? Het is namelijk zeer vervelend en vernederend als je moet vaststellen dat mensen met een Limburgs dialect ondertiteling krijgen en anderen met een Antwerps accent geen ondertiteling krijgen. Voor Limburgers zijn de andere dialecten ook onverstaanbaar." Dat beledigende karakter van intralinguale ondertiteling verklaart waarschijnlijk ook waarom prominente sprekers zoals politici vrijwel nooit ondertiteld worden. Een andere kijker merkt terecht op: het ondertitelen van Noord-Nederlandse standaardtaal "stuit me des te meer tegen de borst daar men de Franstalige ministers helemaal niet ondertitelt, terwijl die, één uitzondering niet te na gesproken, een geradbraakt kindernederlands spreken waar men vaak geen zinnig woord van begrijpen kan."

Ondertiteling kan de communicatie in de weg staan. Als Nederlands in het Nederlands ondertiteld wordt, moet de kijker twee Nederlandstalige boodschappen verwerken die hoe dan ook niet helemaal gelijklopen. Ter wille van de leesbaarheid zijn de ondertitels meestal samenvattingen en dialect kan sowieso niet woordelijk weergegeven worden vanwege de vaak grote lexicale en grammaticale verschillen met de standaardtaal. Het is een bekend verschijnsel dat kijkers bezig zijn met het vergelijken van de ondertitels met de gesproken boodschap, eerder dan met de boodschap zelf.

Ondertitels kunnen vanwege de net genoemde aspecten ergernis opwekken. Ergernis bij de kijker moet koste wat kost vermeden worden, want een geërgerde kijker kijkt niet meer. Uit onderzoek van de VRT is herhaaldelijk gebleken dat vooral hoger opgeleide kijkers zich ergeren en die ergernis ook laten blijken door schriftelijk of telefonisch te reageren of gewoonweg niet meer te kijken. Bij deze groep is vermoedelijk ook de ergernis over de intralinguale ondertiteling het grootst, aangezien die ook het vaakst reageert op (al of niet vermeende) taal- en uitspraakfouten en het gebruik van vreemde woorden.

Beleid en praktijk bij de VRT

De VRT probeert op het gebied van intralinguale ondertiteling een consequent beleid te voeren, dat erin bestaat te ondertitelen als de communicatie in het gedrang is. Dat geldt voor Vlaamse én Nederlandse taalvarianten. De beslissing om te ondertitelen wordt genomen door de programmamaker of het netmanagement in overleg met de afdeling Vertaling en ondertiteling. Soms wordt een kijkerspanel om terugkoppeling gevraagd.

De VRT weegt zorgvuldig af of ondertiteling nodig is of niet, en ondertitelt eerder niet dan wel gezien de nadelen die ondertiteling heeft. In het algemeen ondertitelen we alleen als de taal onverstaanbaar of onbegrijpelijk is. Het kan dus zowel om opnamekwaliteit en uitspraak (verstaanbaarheid) gaan als om niet-standaardtalige woordenschat en zinsbouw (begrijpelijkheid).

Onvolkomen techniek kan de verstaanbaarheid nadelig beïnvloeden en aanleiding tot ondertiteling zijn. In een lawaaierige omgeving kan er een verkeerde verhouding tussen gesproken woord en omgevingsgeluid ontstaan. Bij opnames met een verborgen camera kunnen de microfoons niet altijd goed geplaatst worden, waardoor er niet voldoende hoge tonen opgenomen worden. In sommige omstandigheden is het niet altijd mogelijk de microfoon voldoende dicht bij de spreker te brengen.

De verstaanbaarheid kan ook in het gedrang komen als de spreker een accent of een bijzondere tongval heeft. Ondanks het feit dat hij in principe standaardtaal spreekt, kan dat ondertitels noodzakelijk maken. Vooral kijkers met een iets slechter gehoor, en dat zijn vaak ook oudere kijkers, hebben moeite met een accent of tongval waar ze niet mee vertrouwd zijn.

De begrijpelijkheid is afhankelijk van de taalvariant van de spreker. Een dialect dat wat woordenschat en zinsbouw betreft in hoge mate verschilt van de standaardtaal, kan het best ondertiteld worden als de kijker echt elk woord moet begrijpen. Dialect ondertitelen omdat het dialect is, doen we niet; we ondertitelen alleen als de programmamaker de boodschap tot in de kleinste details wil overbrengen.

In Vlaanderen (en Nederland) heeft vooral de ondertiteling van de Nederlandse reeks Baantjer reacties uitgelokt. Toch heeft de VRT met zijn beslissing consequent zijn taalbeleid uitgevoerd. In het geval van Baantjer hebben proefkijkers te kennen gegeven dat ze moesten wennen aan de slordige articulatie en het Bargoense taalgebruik van sommige personages. Vooral in de eerste afleveringen van de reeks wordt geregeld Amsterdamse volkstaal gesproken, die de meeste Vlamingen niet begrijpen. Maar het grootste probleem is het accent van de sprekers zelf. De helft van het kijkerspanel vond dat ondertitels een hulp bij het bekijken van de serie zijn, omdat in sommige fragmenten de geluidskwaliteit onvoldoende is en de uitspraak van bijvoorbeeld het personage Vledder te slordig is.

Onze collega's van de TROS ondertitelen Vlaamse producties zoals Flikken en Windkracht 10 om precies dezelfde redenen als wij Nederlandse producties. Uit hun kijkersonderzoek is gebleken dat een deel van de kijkers ook problemen heeft met het verstaan, niet met het begrijpen van Belgisch-Nederlands, al zijn er woorden en uitdrukkingen waar ze niet mee vertrouwd zijn. Ze zijn in de eerste plaats niet gewend aan het accent en de zinsmelodie van de Vlamingen en horen niet goed wat ze zeggen.

Kortom, Vlamingen ondertitelen de standaardtaal van Nederlanders om precies dezelfde reden als Nederlanders die van Vlamingen: ze verstaan elkaar niet. De kijkers begrijpen nagenoeg alles, ze weten wat de woorden en zinnen betekenen. Maar ze verstaan de Nederlandse acteurs niet, ze horen gewoon niet wat die acteurs zeggen. Ze spreken slordig, ze hebben een ongewoon accent of het geluid is slecht. De factor verstaan wordt vaak onderschat. Een kijker die verontwaardigd op de ondertiteling van Baantjer gereageerd had, nuanceerde later zijn standpunt: "Ik heb nu naar Spangen, een andere politiereeks op Ned2 gekeken uiteraard zonder ondertiteling, en dan merk ik dat je toch meer moeite moet doen om het te volgen. Dus ik heb mijn mening een beetje herzien."

Vlamingen ondertitelen andere Vlamingen ook omdat ze elkaar niet verstaan én niet begrijpen als ze hun dialect spreken. De Brabanders begrijpen niets van de West-Vlamingen met hun stutten (boterhammen), de Antwerpenaren raken in de war van het ich, mich en oech van de Limburgers en die komen dan weer niet door de rare tweeklanken van de Brabanders heen.

Vaak krijgt de omroep de kritiek dat ondertiteling niet consequent gebruikt wordt. Meestal is die ingegeven door een provinciale reflex: "Vreemd genoeg is men er als de kippen bij om een persoon die Oost- of West-Vlaams, Limburgs of Nederlands spreekt van ondertiteling te voorzien, maar voor het dialect van Antwerpen en Vlaams-Brabant hoeft dat niet: dat moet iedereen maar verstaan." Uit onderzoek van de universiteit van Gent is gebleken dat alle dialecten even vaak ondertiteld worden. Een kijker stoort zich vooral aan de ondertitels bij zijn eigen streektaal en merkt de andere ondertitels vaak niet eens op.

Toch kan er ook terechte kritiek op de ondertitelingspraktijk geformuleerd worden. De verstaanbaarheid van een accent of tongval kan nauwelijks objectief beoordeeld worden. Uiteindelijk wordt het oordeel altijd door subjectieve luisteraars uitgesproken. Om op veilig te spelen kiest de omroep misschien te vaak voor ondertiteling, hoewel hij zich in de beleidsnota net voor zo weinig mogelijk ondertiteling uitspreekt. Sommige categorieën sprekers, bijvoorbeeld sportlui, worden om welke reden dan ook nooit ondertiteld, hoe slordig ze ook spreken. Liveprogramma's kunnen niet ondertiteld worden, zodat we in de praktijk verwachten dat alle kijkers de sprekers verstaan en begrijpen. Open ondertiteling is geen cadeau voor hen die de ondertitels zonder enige twijfel nodig hebben: de slecht- en niet-horenden. Door de open ondertiteling missen ze heel wat niet-talige informatie.

In de regel ondertitelt de VRT in de standaardtaal. Dat is een Nederlandse kijker die de gesloten ondertiteling bij Flikken gebruikt had, niet ontgaan: "In de Belgische ondertitels wordt het Vlaams wat de personages in werkelijkheid spreken keurig terugvertaald naar Nederlands-Nederlands. Alle typische Vlaamse zinswendingen en woordgebruik worden in de Belgische ondertitels keurig in het Nederlands vertaald, of als dat niet gaat maar weggelaten." Het is ook niet eenvoudig de gesproken omgangstaal in Vlaanderen – dialect of tussentaal – schriftelijk weer te geven. Ze verschilt sterk van de informelere geschreven registers van het Nederlands. Bijvoorbeeld, in gesproken informele taal is gij het gebruikelijke persoonlijk voornaamwoord voor de tweede persoon. Geschreven komt het nauwelijks voor, omdat de gij-vorm dan ineens zijn standaardtalige karakter als ouderwetse, plechtige aanspreking krijgt. "We zeggen wel 'gij kwaamt'," schrijft een kijker, "maar ik geef toe dat het wel héél oubollig is als het op het scherm staat."

Toch vragen met name slechthorenden – dat blijkt uit eigen onderzoek van de VRT – dat ook de ondertiteling van bijvoorbeeld tussentalige fictieprogramma's op de een of andere manier stilistisch gemarkeerd wordt. Ze vinden de afstand tussen wat ze liplezen en wat in de ondertitels staat, soms te groot. In de praktijk vindt de stilistische markering vrijwel uitsluitend op lexicaal niveau plaats. De ondertitelaar gebruikt bijvoorbeeld een opvallend, kleurrijk (dialect)woord van de spreker.

Geen taalpolitieke kwestie

De VRT wil met het ondertitelen van Nederlandse sprekers geen taalpolitieke uitspraak doen, noch wraak nemen op de Nederlanders die de Vlamingen ook ondertitelen, of ook maar laten doorschemeren dat het Nederlands in België en in Nederland twee verschillende talen zijn. De ondertiteling is een service aan onze kijkers, die te kennen hebben gegeven dat ze ondertitels willen hebben. Net zoals de TROS in Nederland kan de VRT alleen maar constateren dat veel kijkers de ondertiteling nodig vinden en op prijs stellen.

Toch zien veel critici een taalpolitieke dimensie in de ondertiteling: "Ik begrijp dat u de communicatie vooropzet. Toch kan ik mij niet verzoenen met de gedachte dat een programma in mijn moedertaal ondertiteld wordt en zal om die reden dus nooit naar een ondertiteld Baantjer kijken. (...) De goed bedoelde service van ondertiteling van Nederlandse programma's kan ook zeer irriterend zijn en stoot vele mensen ook erg voor de borst. (...) Tot slot blijf ik denken dat men door ondertiteling van Nederlandse programma's een grotere onverstaanbaarheid tussen de sprekers van de twee varianten in de hand werkt. Ik vrees dat dit op lange termijn toch aanleiding zou kunnen geven tot een grotere polarisatie tussen Noord- en Zuid-Nederlands." Met zo'n uitspraak wordt een omroep te veel invloed toegeschreven. De taal van een omroep stuurt nauwelijks het dagelijkse taalgebruik. Het dagelijkse maatschappelijke leven en het daarbij behorende taalgebruik daarentegen beïnvloeden de omroeptaal sterk. Een omroep is geen eiland, maar staat midden in de (taal)gemeenschap en volgt de taalontwikkeling.

De VRT voert een taal- en ondertitelingsbeleid dat spoort met de ontwikkelingen in het Nederlandse taalgebied. Dezelfde kijker die bang is voor een grotere polarisatie tussen Noord en Zuid merkt terecht het volgende op: "Misschien ben ik fout maar bij mijn weten werd er vroeger niet ondertiteld en verstond men elkaars variant zonder grote problemen in Noord en Zuid." In de jaren zeventig en tachtig heeft de VRT inderdaad een aantal coproducties met Nederland opgezet, die mee door Nederlanders (onder anderen Berend Boudewijn en Mies Bouwman) gepresenteerd werden. Zij werden niet ondertiteld, maar dat hoefde ook niet omdat hun uitspraak veel dichter bij de Belgische uitspraak van het Nederlands stond dan die van vele Nederlandse presentatoren van nu. In de afgelopen tien, vijftien jaar is de uitspraak die op de Nederlandse televisie te horen is, sterk ontwikkeld. Het zogenoemde Poldernederlands is er nu geregeld te horen.

Bovendien keken de Vlamingen vroeger vaker naar de Nederlandse televisie dan nu en waren ze dus meer vertrouwd met een Nederlandse tongval. Sinds de komst van de commerciële omroep VTM in 1989 is het marktaandeel van Nederland 1, 2 en 3 samen gezakt tot 5 %. Omgekeerd spenderen Nederlanders 3 % van hun kijktijd aan de VRT. In de praktijk horen Vlamingen en Nederlanders elkaars uitspraak dus niet zo vaak.

Die maatschappelijke ontwikkelingen hebben invloed op het ondertitelingsbeleid gehad. Begin jaren negentig heeft de VRT (toen nog BRT) de Nederlandse reeks Zeg 'ns aah niet ondertiteld, al heeft de directie toen wel – bij mijn weten voor de allereerste keer – laten onderzoeken of een Nederlandse fictiereeks ondertiteld moest worden omdat sommige personages volgens haar moeilijk te verstaan waren. Tegenwoordig is de behoefte aan ondertiteling van noordelijk Nederlands groter. De Vlaamse kijker heeft de uitspraakontwikkeling in Nederland niet meegemaakt en is niet vertrouwd met die informelere uitspraak van het Nederlands. Bovendien heeft hij een uitgesproken negatieve houding tegenover die uitspraak. Hij vindt ze ook onverzorgd en niet mooi. Volgens een enquête vindt maar vijf procent van de onderwijzers NOS-Nederlands geschikter dan VRT-Nederlands om hun leerlingen bij te brengen. "Uitspraakverloedering" is een van de belangrijkste bezwaren tegen de noordelijke realisering van het Nederlands.

Dat Vlamingen steeds vaker andere Vlamingen ondertitelen kan met dialectverlies en een toenemende mate van standaardisering in Vlaanderen te maken hebben: er is een afnemende kennis van het dialect in het algemeen en een afnemend gebruik, ook bij wie het dialect nog beheerst. Vooral in de centrale provincies Antwerpen en Vlaams-Brabant is er een sterke standaardisering aan de gang. Het dialect is er zelfs in het privé-domein bijna verdwenen en de overgrote meerderheid van de jongeren spreekt bijna uitsluitend een Belgische variant van de standaardtaal. In Antwerpen is uit het dialect een prestigieuze stedelijke variëteit ontwikkeld die in grote concurrentie met de standaardtaal staat. Voor niet-Antwerpenaren lijkt die variëteit echter nog veel op dialect. Door deze standaardisering kan de vertrouwdheid met regionale accenten en regionale woordkeus kleiner worden en de behoefte aan ondertiteling ervan groter.

Er wordt ook vaak gewezen op de grote afstand tussen wat er gezegd wordt en wat in de ondertitel staat. Niet zelden wordt daar een taalpolitieke overweging aan vastgekoppeld: "Ze willen per se wat anders in de ondertitel zetten om te laten zien dat er verschillen zijn." Dat klopt niet. In de regel streeft de VRT ernaar zo dicht mogelijk bij de gesproken bron te blijven en wordt een Noord-Nederlandse formulering niet vervangen omdat ze Noord-Nederlands is. De zesseconderegel staat echter vrijwel altijd een woordelijke weergave in de weg. De verklaring voor de verschillende formulering is soms zo eenvoudig als een punt die er aan het eind van de zin niet meer bij kan.

Onderzoek gewenst

Het beleid inzake intralinguale ondertiteling is tot nog toe te veel op de intuïtie van de omroepmedewerkers gebaseerd. De algemene principes van verstaanbaarheid en begrijpelijkheid gelden wel, maar het gewicht van beide factoren is moeilijk in te schatten. Daarom heeft de VRT met de universiteit van Leuven een onderzoek opgezet naar de houding en verwachtingen van kijkers ten aanzien van intralinguale ondertiteling. Het is de bedoeling te achterhalen welke kijkers in welke omstandigheden ondertitels willen hebben en daaruit een protocol voor programmamakers af te leiden. De eerste resultaten van de enquête worden in het najaar van 2003 verwacht. De VRT hoopt met het verworven inzicht een nog consequenter beleid te kunnen voeren, dat gericht is op een zo groot mogelijk kijkcomfort en dat de ergernis bij de horende kijkersgroepen beperkt. Al zullen we dan ook een meesterlijke Wim Opbrouck moeten missen, die in de tv-reeks In de gloria gestalte gaf aan een West-Vlaming die zich erover opwond dat "wiender oltied moa oendertiteld zien". Hij was ondertiteld.

 

Ruud Hendrickx

 

Dit artikel is opgenomen in Waar gaat het Nederlands naartoe? Panorama van een taal, samengesteld door Jan Stroop en uitgegeven bij Bert Bakker.