VRT-Nederlands en allochtonen

 

De klacht is vaak te horen en ze is ook terecht: in de media zijn te weinig allochtonen te zien. Langzamerhand krijgen allochtone acteurs een plaats in fictieprogramma’s, maar de tv-presentatoren van allochtone afkomst zijn nog altijd op één hand te tellen. We kunnen alleen maar constateren dat de media nog altijd moeilijk de allochtonen bereiken en dat de allochtonen zelf ook moeilijk de weg naar de media vinden.

De VRT biedt elk jaar een aantal jongeren van allochtone afkomst een stage aan. Ze kunnen kennismaken met de wereld van radio, televisie en nieuwe media, en worden ingeschakeld op de verschillende redacties. De meesten van die jongeren zijn niet zichtbaar of hoorbaar, maar ze werken wel mee achter de schermen als volwaardige krachten.

De stap naar het werk in de schijnwerpers – als journalist of presentator – is groot. Maar dat geldt voor iedereen, niet alleen voor allochtonen. De VRT en de andere landelijke media stellen hoge eisen, met name op het gebied van taalbeheersing. Hoe langer hoe meer is de taalbeheersing een grote hindernis voor alle kandidaten, van welke afkomst ze ook zijn.

Waarom zo streng?

De meeste gesproken media zijn het erover eens dat maar één variant van het Nederlands in aanmerking komt als presentatietaal: de standaardtaal. De standaardtaal, het algemeen Nederlands, is in alle opzichten de beste keus. Zowel geografisch als sociaal als functioneel heeft zij het grootste bereik. Van oost tot west, van laag tot hoog, van jong tot oud wordt de standaardtaal op z’n minst begrepen en alleen de standaardtaal is bruikbaar voor gezellige babbels én formele toespraken. Dialect en tussentaal hebben een beperkter bereik.

Ook de kijkers en luisteraars verwachten dat de media hun in de standaardtaal aanspreken, zeker in programma’s waarin informatie gegeven wordt, zoals documentaires en het journaal. Uit een kleine enquête van de VRT is onlangs nog gebleken dat zelfs de luisteraars van onze regionale omroepen alleen maar standaardtaal verwachten. Voor de meesten kan een plaatselijke tongval in zulke programma’s niet.

Als kijkers en luisteraars zo veel belang hechten aan verzorgde standaardtaal, moet een omroep die aanbieden. Anders schiet hij zijn doel voorbij: als de manier waarop je iets zegt de aandacht afleidt van wat je zegt, dan ben je verkeerd bezig.

De VRT stelt daarom hoge eisen aan presentatoren en journalisten. Hun taalgebruik, ook hun uitspraak van het Nederlands, moet zo goed zijn dat niemand er zich aan kan ergeren. Mijn voorganger, Eugène Berode, zei het jaren geleden al: er is niets zo erg als een geërgerde luisteraar, want hij luistert niet.

Welke eisen?

De VRT verbindt er zich toe in al zijn programma’s een aantrekkelijke, duidelijke en correcte standaardtaal te gebruiken die rekening houdt met en afgestemd is op de mediagebruikers. Zo staat het in het Taalcharter van de omroep.

Concreet betekent dat het taalgebruik in VRT-programma’s prettig om naar te luisteren moet zijn (aantrekkelijkheid), dat we toegankelijke en heldere teksten moeten brengen (duidelijkheid) en dat we een foutloos Nederlands hanteren.

‘Foutloos Nederlands’ heeft betrekking op alle facetten van de taal: de woordkeuze, de zinsbouw, de tekstopbouw én de uitspraak. Die laatste is voor veel kandidaten een struikelblok, ook voor wie het Nederlands de moedertaal of de eerste taal is.

Voor veel functies bij de VRT is een stemattest verplicht. Bij de stemtest beoordelen we de stemplaatsing en stemkleur, de uitspraak en de intonatie van de kandidaten. De bedoeling is dat niet te horen is in welke streek een kandidaat opgegroeid is en dat hij een tekst op een overtuigende en spontane manier kan overbrengen.

Gemiddeld slaagt drie procent van de kandidaten voor de stemtest. In de loop der jaren is dat percentage alleen maar gedaald. Steeds minder kandidaten schijnen te beseffen hoe belangrijk verzorgd taalgebruik voor de VRT is en leveren niet de inspanning om die VRT-norm te halen.

Kunnen allochtonen de VRT-norm halen?

Hoe hoog de lat ook ligt, elke dag bewijzen allochtone VRT-medewerkers dat ook zij aan de uitspraak- en taalnormen kunnen voldoen. Huidskleur of nationaliteit bepalen niet rechtstreeks of je voor de stemtest slaagt of niet. Wel bepalend is of je je thuisvoelt in de standaardtaal.

Allochtonen en autochtonen – als ik deze twee verschrikkelijke termen eens naast elkaar mag gebruiken – moeten precies dezelfde hindernissen nemen. Ze moeten een lokale of persoonlijke tongval kunnen bijschaven tot de standaardtalige uitspraak. Het maakt daarbij weinig uit of je een Antwerps, Gents, Leuvens, Hasselts, Marokkaans, Turks of Indiaas accent hebt.

Zeker jongeren van allochtone afkomst die hier geboren en getogen zijn en het Nederlands als moedertaal hebben of heel jong Nederlands geleerd hebben, verschillen in niets van hun autochtone leeftijdgenoten. Ik zie ze dagelijks: een Iraanse jonge vrouw die net zo West-Vlaams klinkt als Flip Kowlier, een Marokkaanse jongeman die net zo Limburgs klinkt als Steve Stevaert, een Rwandese jonge vrouw die net zo Antwerps klinkt als Maya Detiège.

Ik ben ervan overtuigd dat iedereen kan slagen voor de stemtest van de VRT, als je het tenminste zelf wilt. Meer dan ‘kunnen’ is ‘willen’ van doorslaggevend belang. Autochtoon of allochtoon maakt niet uit. Ze moeten allemaal een inspanning wíllen leveren om de VRT-taalnormen te halen.

Bij dezen daag ik allochtone jongeren dan ook uit om mee te doen aan de stemtest van de VRT. En ook zij zullen slagen, als ze tenminste hun Antwerpse scherpe klanken, Limburgse zangerige intonatie of Gentse schraperige r kunnen wegwerken.

Ruud Hendrickx
spreekbeurt uitgesproken in het trefpunt voor inburgering Atlas in Antwerpen op 22 oktober 2007