Het werkwoord staat bij voorkeur in het enkelvoud als de onderwerpen beide enkelvoud zijn.
Sommigen gebruiken in zulke zinnen de persoonsvorm in het meervoud. Zeker in geschreven taal is dat niet voor alle taalgebruikers aanvaardbaar.
Als een van de onderwerpen in het meervoud staat, staat het werkwoord in het meervoud.
Als de onderwerpen niet van dezelfde persoon zijn, staat het werkwoord in het meervoud.
De vorige zin kan beter anders geformuleerd worden:
Zie ook: