|
In de regel krijgt een bijvoeglijk naamwoord vóór een zelfstandig naamwoord altijd een -e, behalve bij onzijdige woorden in het enkelvoud met een onbepaald lidwoord (een mooi paard). De verbogen vorm komt voor:
|
- bij de-woorden: de mooie bloem
- bij woorden in het meervoud: de kleine kinderen
- na het, dit, dat: het witte paard, dat oude huis
- na een bezittelijk voornaamwoord: jullie jongste kind, mijn nieuwe auto
- na een vooropgeplaatste genitief: Piets oude dagboek
|