Taalcharter

 

Toen Eugène Berode in mei 1996 afscheid nam van de omroep, blikte hij in zijn laatste toespraak terug op zijn beruchte blauwe brieven en op vijfentwintig jaar omroeptaal. Aan het eind van zijn betoog riep hij alle medewerkers ertoe op de taal van de omroep te blijven verzorgen.

"Ik heb begrepen dat de directie van de BRTN nu aan het onderzoeken is hoe het verder moet met de taalzorg. Ik heb daar alle begrip voor: als een organisatie het anders wil doen, moet ze daarvoor de tijd nemen. Maar ik ben ook niet naïef en daarom is dit mijn laatste woord. Ik hoop uit de grond van mijn hart dat het een platitude is en zelfs een volstrekt overbodige opmerking. De BRTN is een organisatie die 24 uur op 24 woorden en zinnen produceert. En wie taal produceert, kan het zich niet permitteren om taalzorg te reduceren tot lippendienst aan de schoonheid van het Nederlands. Daarom - en hoe komt het toch dat die gloed in mij blijft zinderen? - daarom dus zeg ik tegen ieder van u afzonderlijk en tegen de organisatie in haar geheel: Blijf letten op de Nederlandse-taalwinkel. Behoud in godsnaam de kwaliteit."

Berodes oproep was niet aan dovemans oren gericht. De directie is vastbesloten het taalzorgbeleid voort te zetten: ze heeft een nieuwe taaladviseur aangewezen en een project Taalcontrole goedgekeurd, dat in samenwerking met het departement Linguïstiek van de Katholieke Universiteit te Leuven wordt uitgevoerd. Als organisatie die 24 uur per dag, 7 dagen per week taal produceert, wil de VRT zich ertoe engageren blijvend zijn taal te verzorgen.

In dit document is vastgelegd aan welke criteria de taal van de omroep volgens de taaladviseur en de stuurgroep Taaladvies moet voldoen. Vijfentwintig jaar taalbeleid en taaladvies van Eugène Berode kunnen we bij het formuleren van die criteria zeker niet opzijschuiven. Dat hoeft ook niet, want de omroep wil nog steeds hetzelfde doel bereiken: een correcte en doeltreffende taal. Alleen wil de VRT er meer dan in het verleden mee rekening houden dat de Nederlandse standaardtaal zoals ze in België gebruikt wordt, op een beperkt aantal punten kan verschillen van de in Nederland gebruikelijke variant van de Nederlandse standaardtaal.

De VRT wil de norm voor de Belgische variant van de Nederlandse standaardtaal zijn en blijven. Hij hanteert daarom een aantrekkelijke, duidelijke en correcte standaardtaal die rekening houdt met en afgestemd is op de kijkers en de luisteraars.

Hierboven is in letterlijk twee zinnen samengevat welk taalbeleid de VRT wil voeren. In de rest van dit charter kunt u lezen hoe die correcte, aantrekkelijke en duidelijke standaardtaal eruit moet zien.

 

Standaardtaal

De VRT hanteert als openbare omroep in beginsel de standaardtaal. Een openbare omroep wil een zo ruim mogelijk publiek bereiken en doet dat in een taal die binnen zijn cultuurgroep als gemeenschappelijk communicatiemiddel wordt gehanteerd. Dat kan niet anders dan de cultuurtaal (de standaardtaal) zijn, de taal die de leden van die cultuurgemeenschap in hun contacten met de overheid, in het onderwijs, in de kunst en de literatuur gebruiken. Dat de omroep principieel voor de standaardtaal kiest, sluit dialect en tussentaal geenszins uit, maar ze horen wel alleen in bepaalde programma's thuis.

 

Wat is standaardtaal, wat is tussentaal?

De Grote Van Dale definieert standaardtaal als een "taalvorm die als norm of model geldt". Standaardnederlands is volgens hetzelfde woordenboek "het Nederlands dat als standaard, norm voor correct taalgebruik wordt aanvaard, zowel wat de uitspraak en de syntaxis, als wat de woorden betreft."

De Algemene Nederlandse Spraakkunst (ANS) gaat dieper op de definitie in. Hij noemt standaardtaal "de taal die algemeen bruikbaar is in zogenaamde secundaire relaties, dat wil zeggen in het contact met 'vreemden'. (...) Als tentatieve betekenisomschrijving kan gegeven worden: de taal waarin geen elementen of structuren voorkomen die duidelijk opvallen als niet-algemeen." Hun hebben is niet algemeen geaccepteerd en is dus geen standaardtaal, zij hebben is dat wel.

Binnen de standaardtaal is er stilistische variatie. Sommige varianten komen meer in geschreven dan in gesproken taal voor. In de geschreven taal zijn woorden als echter, noch, rijwiel veel frequenter dan in de gesproken taal, als ze daarin al worden gebruikt. Er is ook regionale variatie. Sommige grammaticale constructies komen in een bepaald deel van het taalgebied frequenter voor dan in een ander: hij komt aanrijden (Nederlands-Nederlands) tegenover hij komt aangereden (Belgisch-Nederlands). De VRT laat in beperkte mate ruimte voor de Belgische varianten.

De zogenaamde tussentaal, door Geert Van Istendael "Verkavelingsvlaams" genoemd, is een vrij recent verschijnsel. Ze is kennelijk ontstaan uit de behoefte van de Vlaming om iets anders dan dialect en dan de algemene standaardtaal te spreken. Tussentaal is geen verworven register van de Nederlandse standaardtaal, zoals de Umgangssprache in Duitsland en de informele omgangstaal in Nederland dat wel zijn. De neerlandicus Peter Debrabandere beschrijft in De Standaard tussentaal als "een soort veredeld Antwerps, dat maar door een minderheid van Vlamingen gesproken wordt en dat voor West-Vlamingen en Limburgers veel minder herkenbaar is dan Standaardnederlands." Hij voegt eraan toe:

"Tot op een zekere hoogte kan de Franse, Duitse en Engelse omgangstaal vergeleken worden met Verkavelingsvlaams: informele woorden, verkortingen, gereduceerde uitspraakvormen ... Maar die vergelijking is gebrekkig. Verkavelingsvlaams is een onvolkomen taaltje, een taaltje dat alleen steunt op de onwil en het onvermogen van velen om echt Nederlands te spreken, een samenraapsel van Belgisch-Nederlandse afwijkingen: gallicismen, dialectismen, archaïsmen, purismen, schrijftaal ... In Franse, Duitse en Engelse omgangstaal komen geen schrijftaalwoorden en archaïsmen voor."

De VRT wijst tussentaal als presentatietaal van de hand. Er is geen algemene consensus onder de Nederlandstaligen in Vlaanderen over de status, laat staan de inhoud van die tussentaal. Wij gaan ervan uit dat met de verdere verspreiding van het standaardtaalgebruik in Vlaanderen, de tussentaal in haar huidige vorm meer en meer zal verdwijnen. In haar plaats zal er een informele variant van de standaardtaal komen die op een natuurlijke en nauwe wijze aansluit bij de standaardtaal die in Vlaanderen in het formelere register al ondubbelzinnig geaccepteerd wordt. De VRT ziet het als zijn taak de Nederlandssprekende taalgemeenschap in Vlaanderen ook voor die informele variant van de standaardtaal tot voorbeeld te dienen.

 

Waarom standaardtaal?

Als openbare omroep zijn wij het aan ons publiek verplicht de standaardtaal te gebruiken. Onze kijkers en luisteraars - en de Vlamingen in het algemeen - hechten aan het Nederlands van de openbare omroep traditioneel een grote normatieve waarde. Voor hen geeft de VRT het voorbeeld: ze beschouwen onze taal als bron voor correct Nederlands en passen dat voorbeeld zelf toe. In De Standaard van 3 juni 1998 schrijft professor Cajot in dat verband:

"BRT-Nederlands (ik zou de term Nieuwsnederlands willen voorstellen), waaraan de Vlaming het hoogste gezag toekent, en dat ook in Nederlandse oren als Nederlands klinkt, is de taal van de nieuwsredacties van alle Vlaamse zenders, ook de taal van de vaste medewerkers in een aantal praatprogramma's. Jonge Vlamingen horen de taal ook tijdens sommige lessen. Ook wie van taal of communicatie zijn beroep maakt, of er zich om andere redenen op toelegt, spreekt volgens deze norm ..."

De VRT verbindt zich ertoe die norm te blijven aanbieden.

Er is ook geen enkele reden om de standaardtaal ineens niet meer te gebruiken. De openbare omroep heeft al jarenlang een standaardtalige traditie. De kijkers en de luisteraars zijn eraan gewend dat de openbare omroep zich in de standaardtaal tot hen richt en verwachten niet anders. Uit taalonderzoek van de Leuvense hoogleraar Guido Geerts is gebleken dat 86 % van de Vlamingen het dialect afwijst als taal voor radio en televisie.

Vele kijkers en luisteraars ergeren zich ook aan kromme taal. Correcte taal ligt hun na aan het hart en ze struikelen over verkeerde woordkeuzen, slordige uitspraak en ongrammaticale zinnen. Ergernis bij het publiek moeten we koste wat kost vermijden, want iemand die geërgerd is, luistert niet naar de boodschap.

De Vlaamse overheid verlangt ook van de openbare omroep dat hij de standaardtaal gebruikt. Zijzelf heeft ervoor gekozen het Standaardnederlands als haar taal te hanteren en heeft verschillende taaladviseurs in dienst genomen om de taalkwaliteit te bewaken. In de beheersovereenkomst met de omroep heeft de overheid vastgelegd dat de openbare omroep in zijn programma's kwaliteit moet nastreven op het gebied van vorm, inhoud én taalgebruik. In de performantiemaatstaven voor radio en televisie wordt het taalgebruik expliciet genoemd.

"Radio evalueert kritisch, voor elk van de netten, of de eigen programma's beantwoorden aan het vooropgestelde programmavoorstel en netprofiel, een correcte taal gebruiken en qua presentatie beantwoorden aan de verwachtingen van het publiek."

"Televisie zal vorm, inhoud, taalgebruik en vernieuwend karakter van zowel de eigen producties, de aangekochte programma's als de netaankleding kritisch evalueren."

Door het voortzetten en uitbreiden van het bestaande taalbeleid wil de VRT de beheersovereenkomst uitvoeren.

 

Wanneer standaardtaal, tussentaal, dialect?

In de samenleving passen mensen hun taalgebruik aan de situatie aan. Soms spreken ze dialect, bijvoorbeeld als ze met hun ouders praten, als ze met vrienden een avondje gaan stappen of als ze met de buren het laatste dorpsnieuws bespreken. Soms spreken ze tussentaal, een gekuiste taal die het midden houdt tussen dialect en standaardtaal. Ze gebruiken die taal als ze in contact komen met mensen die een ander dialect spreken dan zij, als omgangstaal in het gezin, of als ze geen dialect of standaardtaal willen spreken. Soms spreken ze echte standaardtaal, de taal die een leraar in de klas gebruikt, waarin een politicus een toespraak houdt, waarin een krant zich tot zijn lezers richt. Taalonderzoek heeft uitgewezen dat nagenoeg iedere taalgebruiker de vaardigheid heeft om die soort taal te kiezen die het best bij de situatie past.

Ook de omroep moet in zijn taalgebruik rekening houden met de taalrealiteit. Het publiek verwacht in een bepaalde situatie - en dus ook in een bepaald programma - een bepaalde soort taal. Wie daarvan afwijkt, veroorzaakt ergernis. De jurist Joseph Leliard, bijvoorbeeld, heeft zich in het mei-nummer van Nederlands van Nu terecht opgewonden over het gebrek aan taalgevoel in de journaals:

"De mediaschrijvers en -sprekers hebben er voorts kennelijk plezier in te zeggen dat iemand 'in elkaar' is 'geramd' of 'geslagen', i.p.v. 'afgeranseld' of 'mishandeld'. Kort geleden wist een nieuwslezer nog te vertellen dat een voorstel van sociaal akkoord was 'afgeschoten' i.p.v. 'afgewezen'. Het hoeft niet altijd gewelddadig te zijn, het kan ook onzindelijk. Herhaaldelijk leest of hoort men dat iemand zoveel miljoen frank moet 'ophoesten'. Dat 'ophoesten' voor 'betalen', 'storten', 'afgeven', of, op andere stijlniveaus, 'op tafel leggen', 'neertellen' of 'afdokken' is vertaald Amerikaans slang (cough up). Het is al erg als gewone Engelse of Franse woorden letterlijk (en vaak slecht) worden vertaald. Moeten nu absoluut ook woorden uit een subcultuur gebruikt worden? Het 'oordeel des onderscheids' inzake taalbeheersing lijkt in de media nu en dan te ontbreken."

Als beginsel nemen we aan dat de standaardtaal wordt gebruikt in al die programma's waarin het publiek ze verwacht, in die programma's waarin de taal alleen maar een neutraal medium is om de boodschap over te brengen en ze geen andere signaalfunctie heeft. Tot die categorie behoren de uitzendingen van de nieuwsredacties, de sportverslaggeving, het jongerenjournaal, documentaires op radio en televisie, consumentenmagazines, humaninterestprogramma's, amusementsprogramma's, de berichten op Teletekst en op de websites, het contact met kijkers en luisteraars ... Uiteraard klinkt de standaardtaal in elk van die contexten anders, maar dat facet van het taalgebruik - stijl en registers - komt later nog ter sprake.

In informatieve programma's - zoals journaals, documentaires, magazines - is het in de eerste plaats de bedoeling dat we onze kennis aan de kijker of de luisteraar doorgeven. De taal is het medium dat we daarvoor gebruiken, bij de radio als het enige medium, bij de televisie ondersteund door beelden. In informatieve programma's heeft de taal geen enkele signaalfunctie en ze moet dan ook neutraal zijn. De presentator of reporter is op dat moment een doorgever van informatie, hij is niet de buurman of de bakker om de hoek die als zodanig moet worden onderscheiden door zijn taalgebruik (tussentaal of dialect).

Ook in amusementsprogramma's treedt de presentator naar voren als een standaardtaalspreker, niet als een tussentaal- of dialectspreker. Hij spreekt op dat moment in naam van de publieke omroep en die omroep richt zich in beginsel tot zijn publiek in de standaardtaal. Dat geldt niet als het om een typetje gaat. Typetjes die als zodanig duidelijk herkenbaar zijn, kunnen een afwijkende taal hanteren.

Dialect en tussentaal zijn geenszins uitgesloten, maar ze kunnen alleen worden gebruikt in programma's waarin ze functioneel zijn, met name in fictie en in uitzendingen over streekcultuur. In soaps, feuilletons en comedyseries van eigen bodem mag dialect en tussentaal te horen zijn. Als er personages uit een bepaald milieu opgevoerd worden, mogen ze klinken zoals die mensen spreken. Het komt de geloofwaardigheid van de personages alleen maar ten goede. Maar denk erom dat er ook mensen zijn die geen tussentaal of dialect spreken. Als de VRT-fictieprogramma's een spiegel van de maatschappij willen zijn, moet ook het taalgebruik in al zijn registers en varianten te horen zijn. In programma's over streekcultuur is uiteraard ook de streektaal op haar plaats.

In de praktijk moeten we ervoor waken dat het gebruik van dialect en tussentaal de communicatie niet in gevaar brengt. Als een getuigenis in het dialect wordt afgelegd, is die niet altijd even makkelijk te begrijpen voor een kijker of luisteraar die dat dialect niet kent. Bij de televisie kan ondertiteling uitkomst bieden, maar er is geen expliciete richtlijn te geven voor het gebruik ervan. Er zijn verschillende aspecten waarmee rekening moet worden gehouden. Ondertiteling kan beledigend zijn voor de spreker: hij wordt opgevoerd als iemand die onverstaanbaar praat. Ondertiteling kan de sfeer van een programma breken: misschien is het niet altijd wenselijk een krachtige getuigenis in het dialect in standaardtaal te ondertitelen, omdat er bij de "omtaling" veel emotionele waarde verloren kan gaan. Ondertiteling kan ook alleen maar in de standaardtaal: je kunt geen dialect schrijven of ongrammaticale constructies op het scherm brengen. Ondertiteling kan de communicatie zelfs in gevaar brengen: de kijker krijgt twee verschillende Nederlandstalige boodschappen binnen die niet altijd helemaal gelijklopen. De kans is groot dat de kijker geen van beide boodschappen helemaal heeft ontvangen.

 

Wie spreekt standaardtaal?

Van alle omroepmedewerkers wordt verwacht dat ze voor de microfoon een verzorgde standaardtaal spreken. Al wie namens de omroep spreekt - een journalist, reporter, interviewer, commentator, presentator, quizmaster - doet dat in de standaardtaal, niet in het dialect of in tussentaal. Typetjes die als zodanig duidelijk herkenbaar zijn, vormen hierop een uitzondering.

Als hij tussentaal- of dialectsprekers interviewt of volgt, hanteert een omroepmedewerker zelf in elk geval de standaardtaal. Het gevaar bestaat dat hij betuttelend of beledigend overkomt als hij dat niet doet ("Denkt die soms dat ik 'm niet begrijp als hij ABN spreekt!?"). Het publiek verwacht en accepteert ook niet dat wij iets anders dan standaardtaal spreken. Professor Beheydt in De Standaard:

"Ik gruw van het neerbuigende Vlaams dat sommige journalisten menen te moeten gebruiken om 'af te dalen' naar het niveau van hun slachtoffers. Dit vind ik een denigrerend en beledigend gebruik van Verkavelingsvlaams. Iedereen heeft het recht om benaderd te worden in de standaardtaal van onze cultuurgemeenschap en dat is het Nederlands, dat wij als cultuurtaal delen met de hele Nederlandstalige gemeenschap."

Ook van Bekende Vlamingen die VRT-programma's presenteren, onze sterren, mag worden verwacht dat zij hun taal verzorgen. Vaak behoort het tot het handelsmerk van die BV's dat ze tussentaal of zelfs half dialect praten, zowel wat woordkeus als uitspraak betreft. Zolang zij dat als panellid doen, kan dat worden geaccepteerd. Maar als zij namens de publieke omroep spreken (bijvoorbeeld als presentator of als gastreporter in een magazine), mogen we ook van hen vragen dat zij hun taalgebruik verzorgen.

 

Aantrekkelijke taal

De omroep hanteert een aantrekkelijke spreektaalvariant van de standaardtaal. Hij wil bewust een tegenwicht bieden tegen de oprukkende tussentaal en zijn publiek ook laten kennismaken met een aantrekkelijke, levende, informele vorm van de Belgische variant van de standaardtaal. De taal van de omroep moet er het bewijs van zijn dat de standaardtaal geen star keurslijf is, maar een levend instrument waarmee kan worden gespeeld.

Een aantrekkelijke stijl en taal maken de boodschap voor de kijker of de luisteraar boeiender. Aantrekkelijkheid is een samenspel van en afwisseling in woordkeus, zinsbouw, zinstype en beeldspraak. Maar aantrekkelijkheid blijft altijd iets subjectiefs: wat de een mooi of origineel vindt, kan voor de ander gekunsteld of misschien zelfs belachelijk lijken. De regel is: doe gewoon. Bovendien is aantrekkelijkheid niet altijd de eerste zorg. Een journaal is een zakelijk programma waarin in de regel alleen zakelijke taal op haar plaats is.

Aantrekkelijke spreektaal krijg je niet als je meteen met pen en papier aan het werk gaat. Vertel eerst wat je wilt zeggen. Als je iets moet uitleggen aan je publiek, ga dan niet meteen schrijven, maar probeer je voor te stellen hoe je het aan vrienden of collega's zou vertellen en schrijf dat eventueel op. Je krijgt dan automatisch een levende spreekstijl die ver van de dorre schrijftaal af staat.

Wat woordkeus betreft kunnen we beter oubolligheden, clichés, lege woorden, omslachtige uitdrukkingen en stadhuistaal vermijden. In de plaats daarvan kiezen we voor verrassende, originele, duidelijke spreektaal. We zeggen dus maar (en niet echter), als (en niet indien), trouwen (en niet huwen), proberen (en niet trachten). Hoed je voor clichés. Banen hoeven niet altijd op de tocht te staan, maar kunnen ook bedreigd zijn. Onderzoekers hoeven niet altijd tot op het bot te gaan, maar kunnen ook alles uitspitten. We beperken het aantal lege en omslachtige uitdrukkingen als in feite, in principe, eigenlijk, op dit ogenblik, van zijn kant, als gevolg van, door middel van, in het kader van, ter gelegenheid van, ten gevolge van, ondanks het feit dat. Er is altijd een eenvoudigere spreektaalvariant beschikbaar.

Afwisseling in de zinsbouw maakt de boodschap ook aantrekkelijker. Als je steeds weer dezelfde mededelende zinnen met onderwerp, persoonsvorm en lijdend voorwerp in die volgorde gebruikt, krijg je automatisch een drammerige, eentonige stijl. Een spreektalige stijl krijg je als je af en toe eens de volgorde van de zinsdelen omgooit. Wat nadruk moet krijgen, kun je voor of achter in de zin plaatsen. En denk erom dat er ook andere zinstypen dan mededelende zinnen bestaan. Je kunt al eens een vraag of een gebiedende zin inlassen. Een persoonlijke stijl met directe aansprekingen (je, u, wij) doet een nauwere band met het publiek ontstaan en maakt de taal ook aantrekkelijker.

Het is bijna vanzelfsprekend dat beeldspraak, vergelijkingen en voorbeelden de stijl verlevendigen, maar het is niet altijd eenvoudig om goede beeldspraak, vergelijkingen en voorbeelden te vinden. Spring zuinig om met beeldspraak. Te veel beelden of gezochte vergelijkingen kunnen een tekst belachelijk laten klinken.

 

Duidelijke taal

Het doel van radio en televisie is (meestal) dat we onze kennis overbrengen naar het publiek. Omdat radio en televisie gesproken media zijn, moet onze boodschap meteen duidelijk zijn. De kijkers en de luisteraars kunnen immers niet even terugbladeren zoals in een boek. Bij het formuleren van een boodschap moeten we daarom zo helder en efficiënt mogelijke taal gebruiken.

Duidelijke taal is een kwestie van schrijven zoals je vertelt. Leg een gebeurtenis, een verhaal, een bericht eerst aan jezelf uit voor je het opschrijft. Automatisch probeer je er een logische structuur in te brengen en spreek je over de mensen die erbij betrokken zijn en niet over men. De taal die je hanteert is dan zeker niet gekunsteld, want mensen spreken gewoon. Die vertelstijl moet ook de stijl van de omroep zijn.

In de eerste plaats moet de boodschap logisch zijn opgebouwd en moet hij zinnen bevatten die duidelijk maken hoe de boodschap zelf in elkaar zit. Een boodschap kan op verschillende manieren logisch in elkaar zitten: je kunt uitgaan van een bewering en die toelichten, je kunt een chronologisch overzicht van feiten geven, je meldt een maatregel en somt daarna de gevolgen ervan op, je signaleert een probleem en geeft daarna een overzicht van de mogelijke oplossingen.

Het is van het grootste belang dat de kijker of de luisteraar bij de hand wordt genomen en door de boodschap heen wordt geleid. Hij heeft immers geen tekst voor zich waarvan de typografie hem misschien helpt inzicht te krijgen in de opbouw. Daarom moeten we hem de structuur van de boodschap duidelijk maken. Dat doen we met verbindings- en signaalwoorden (omdat, doordat, hoewel, tenzij, nadat, tijdens, door, wegens, maar, bijvoorbeeld) en door de verbanden zo nodig te expliciteren: de reden hiervoor is, de oorzaak hiervan is, een voorbeeld hiervan is ...

Slordig geformuleerde zinnen kunnen dikwijls op verschillende manieren geïnterpreteerd worden. Dat moeten we vermijden. We moeten zo exact en concreet mogelijk zeggen wat we bedoelen. Daarom hanteren we precieze termen (niet een verantwoordelijke, maar het hoofd van de dienst X) en gebruiken we voor hetzelfde begrip zo veel mogelijk hetzelfde woord (niet dollekoeienziekte, gekkekoeienziekte en BSE door elkaar). We zijn zuinig met moeilijke woorden (discrepantie, abusievelijk, desiderata) en leggen moeilijke begrippen uit. Bedenk ook dat verwijswoorden (hij, zij, deze, die, hiervoor, toen) vaak niet zo ondubbelzinnig verwijzen als je zelf vermoedt.

Lange, ingewikkelde zinnen komen de duidelijkheid niet ten goede. Ook zinnen met veel bijzinnen zijn moeilijk te interpreteren. Je kunt de informatie beter over kortere zinnen verdelen. Maar een tekst mag ook geen opeenstapeling van erg korte zinnetjes worden. Meestal is zo'n tekst juist heel moeilijk voor te lezen omdat de zinnen op dezelfde manier in elkaar zitten en dus op maar één manier geïntoneerd kunnen worden.

In een duidelijke spreektaal is naamwoordstijl niet op zijn plaats. Naamwoordstijl krijg je als je in plaats van een werkwoord een zelfstandig naamwoord gebruikt. Als je dat te veel doet, komt je tekst dor en ambtelijk over. Niemand spreekt in naamwoordstijl: "Het gebruik van stimulerende middelen door studenten is sterk toegenomen." Je zegt: "Studenten gebruiken steeds meer stimulerende middelen." Werkwoordstijl is veel actiever, veel duidelijker en veel levendiger.

Ook de bedrijvende (actieve) vorm draagt bij tot duidelijker, efficiënter en krachtiger formuleren. Hij dwingt je te zeggen wie wat doet. Bovendien heeft onderzoek uitgewezen dat een luisteraar een actieve zin sneller begrijpt. Vergelijk "Alleen door de leider van de oppositie werd het woord gevraagd" maar eens met "Alleen de leider van de oppositie vroeg het woord."

Natuurlijk is een lijdende (passieve) vorm soms wel op z'n plaats. Soms kun of wil je niet zeggen wie de handeling uitvoert. In dat geval is het veel beter dan lege woorden als men, ze, onbekenden of mensen. Liever "De gegevens worden maar vierentwintig uur bewaard" dan "Men bewaart de gegevens maar vierentwintig uur". Je kunt hem ook gebruiken om dubbelzinnigheid te vermijden ("de man die de agent heeft neergeschoten" naast "de man die door de agent is neergeschoten") en zinselementen meer nadruk te geven.

Dat we voor eenvoudige woorden en zinnen kiezen, betekent helemaal niet dat we kleutertaal moeten schrijven. Integendeel, we gaan ervan uit dat onze kijkers en luisteraars even intelligent zijn als wij. Alleen hebben wij kennis die zij nog niet hebben en willen we die kennis overbrengen op een zo efficiënt mogelijke manier, zonder omhaal.

 

 

Correcte taal

We hebben al gezegd dat de VRT de norm voor de Belgische variant van het Nederlands wil zijn en blijven. Hij hanteert daarom een correcte taal op het gebied van woordkeus, grammatica, uitspraak en stijlregister. Perfect afgelijnde normen voor die correcte taal zijn moeilijk te geven, maar de grote krachtlijnen worden hieronder gepresenteerd.

Traditioneel gaan de Vlaamse taalbeheersers - of althans de meeste - ervan uit dat de norm voor het Nederlands in het noorden van het taalgebied te vinden is, met al of niet ruimte voor wat Vlaamse inbreng. Ook Eugène Berode sprak zich op het radioatelier van 4 november 1993 in die zin uit:

"Ik vind dat de BRTN en dus ook de radio het Noordnederlands als norm moeten hanteren. Anders hebben we helemaal geen norm en ook in taalzaken is alles beter dan chaos. Maar als je dat zegt, hoor je wel zekere grenzen in acht te nemen. Overschrijd je die, dan komt het taalgevoel van de Vlamingen in opstand. En dat is het ergste wat de standaardtaal bij ons kan overkomen."

Voor Berode waren er drie grenzen. Allereerst vond hij het nonsens om de Randstad-uitspraak van het Nederlands over te willen nemen. Hij gunde Vlaamse beelden en zegswijzen bestaansrecht en officiële Belgische termen als schepen, licentiaat en gouverneur behoorden voor hem zonder discussie tot de standaardtaal.

Die norm is te beperkt. Naast de uitzonderingen die Berode noemt, moeten ook andere woorden die in Nederland onbekend zijn maar in Vlaanderen wijd verspreid en algemeen geaccepteerd zijn, tot de VRT-norm worden gerekend. Op die manier kan de VRT zich profileren als spraakmaker voor het Nederlands in België. Daarom ook hebben we het bij voorkeur over deBelgische variant van de Nederlandse standaardtaal, een variant van het Nederlands die naast de Nederlandse variant staat, en niet over het in taalkundige zin te beperkte Vlaams of over het te zwaar beladen Zuid-Nederlands, dat te vaak met taalfouten wordt geassocieerd.

Als norm geldt de taal die door taalgevoelige Vlamingen wordt gehanteerd wanneer zij hun taal bewust verzorgen. Die norm sluit grotendeels aan bij de algemene Nederlandse standaardtaal, maar laat ruimte voor Belgisch-Nederlandse inbreng op het gebied van uitspraak, woordkeus, zegswijzen en beeldspraak.

Kiezen voor een eigen norm houdt in dat de omroep vaak zelf zal moeten beslissen wat wel en wat niet tot de standaardtaal behoort. In Vlaanderen wordt de standaardtaal immers niet of nauwelijks gedragen door een "spraakmakende gemeente". In onze buurlanden wordt die mede gevormd door politici, bedrijfsleiders en academici, maar in Vlaanderen kan hun taal bezwaarlijk een voorbeeld worden genoemd. Ook bestaat er vooralsnog geen wetenschappelijke beschrijving van het in België gangbare Nederlands in een gezaghebbend woordenboek of een gezaghebbende grammatica. Het onderzoek ernaar is aan de gang. In de praktijk zal de taaladviseur dus vaak de knoop moeten doorhakken.

 

Woordkeus

De VRT-norm sluit, zoals gezegd, grotendeels aan bij de algemene standaardtaal. We gebruiken dus de woorden, uitdrukkingen en vaste verbindingen die gezaghebbende woordenboeken zonder label opnemen, wat erop wijst dat ze voor alle taalgebruikers acceptabel zijn. Als referentiewerken gelden de Grote Van Dale, Kramers Hedendaags Nederlands en Verschueren. De adviezen in de taaldatabank op het interne bedrijfsnet (Insite) zijn bindend.

Tot de VRT-norm behoren ook een beperkt aantal woorden, beelden en zegswijzen die de grote woordenboeken traditioneel als Zuid-Nederlands labelen, maar die Vlaamse standaardtaalsprekers niet als streektaal of tussentaal ervaren. Voorbeelden daarvan zijn praline (bonbon), kwakkel (een vals bericht), onrechtstreeks (indirect), vieruurtje (een hapje omstreeks 16 uur), ergens mee verveeld zijn (ergens mee in z'n maag zitten), een resem (reeks) vragen.

Dat er meer ruimte voor eigen Belgisch-Nederlandse inbreng moet zijn, betekent geenszins dat alle kromme taal die in Vlaanderen te horen is, normatieve status krijgt. Anders is de chaos waar Berode het over had, niet veraf. Taalbewuste Vlamingen zijn het er doorgaans over eens dat bijvoorbeeld klakkeloze vertalingen uit het Frans (gallicismen) of het Engels (anglicismen) niet tot de standaardtaal behoren. Hetzelfde geldt voor woorden die algemeen als dialect of purisme worden aangevoeld. Voorbeelden van kromme taal die we niet accepteren zijn goesting (zin, trek), klak (pet), brieventas (portefeuille), uurwerk (horloge), de duimen leggen (het onderspit delven), eraan houden (erop staan), op punt stellen (een gallicisme dat met preciezere bewoordingen kan worden weergegeven). De taaladviseur bepaalt wat acceptabel is.

 

Grammatica

De Algemene Nederlandse Spraakkunst (ANS) is het standaardnaslagwerk op het gebied van grammatica. In het Nederlandse taalgebied is de ANS de enige grondige beschrijving van de woordvorming en de zinsbouw. Alle daarin niet-gemarkeerde taaluitingen - die door alle taalgebruikers acceptabel worden geacht - behoren ook tot de VRT-norm.

De ANS signaleert soms regionale verschillen. Sommige daarvan kunnen zeker tot de VRT-norm worden gerekend, andere niet. Constructies waarvan de ANS zegt dat ze niet overal in het taalgebied even vaak voorkomen, kunnen wel; expliciet regionale constructies gebruiken we in de regel niet. Of een vliegtuig is kunnen landen (België) of heeft kunnen landen (Nederland), verschilt per taalgebied. Maar het is allebei goed. Of de koningin op haar troon gaan zitten is (België) of is gaan zitten (Nederland), dat maakt niet uit, zelfs al zegt de ANS dat de Belgische constructie regionaal is. Maar een doorbreking van de werkwoordelijke eindgroep als dat hij dat wilde op zijn gemak doen of een constructie als zo'n mensen accepteren we niet. Er zijn duidelijke grammaticale regels voor te geven en die kunnen het best worden toegepast. Met de taaladviseur kan over zulke problemen worden overlegd. Zijn advies is bindend.

 

Uitspraak

We hanteren een verzorgde, duidelijke, niet-gekleurde, supraregionale, traditionele, Belgisch-Nederlandse uitspraaknorm. In de eerste plaats moet de stem radiofonisch zijn: ze moet goed klinken op de radio of op de televisie, aangenaam zijn om naar te luisteren. Een spraakgebrek (lispelen, slissen) of een slordige uitspraak zijn niet acceptabel. Aan een medewerker die voor de microfoon komt, mag een ongeoefend oor in de regel niet kunnen horen uit welke streek hij komt. Uiteraard hoort elke luisteraar of kijker of iemand uit Nederland of België komt, maar hij mag niet horen of iemand in Gent, Brugge, Antwerpen of Hasselt is opgegroeid.

Behalve aan uitspraak hecht de omroep veel belang aan een intelligente en afwisselende intonatie. Van een microfoonmedewerker wordt verwacht dat hij in zijn teksten de juiste woord- en zinsaccenten legt, zodat de boodschap duidelijk overkomt bij het publiek. Een afwisselende intonatie met dynamische, melodische en temporele accenten maakt een bericht ook alleen maar aantrekkelijker om naar te luisteren.

Woorden van Engelse komaf spreken we bij voorkeur op z'n Engels uit. Spellinguitspraak vermijden we. We hebben het dus over zjem (jam), glemmer (glamour), fen (fan), gehendikept (gehandicapt), mennedzjer (manager) en hoeligens (hooligans). Het is geenszins aanstellerig om dat te doen.

Wat de uitspraak van vreemde namen betreft, laten we ons leiden door de uitspraakwoordenboeken van Duden en Jones en door het encyclopedisch woordenboek van Verschueren. We proberen de oorspronkelijke uitspraak zo dicht mogelijk te benaderen, al passen we hem aan onze uitspraakgewoonten aan. In elk geval leggen we de klemtoon op de juiste lettergreep. Cádiz spreken we dus uit als KA-dies, met de klemtoon op de eerste lettergreep zoals het hoort, maar niet met een th (zoals in het Engelse thing) aan het eind. Op het interne bedrijfsnet (Insite) staat een uitspraakdatabank die als norm geldt.

Bij vreemde plaatsnamen geven Nederlandstaligen hoe langer hoe meer de voorkeur aan zogenaamde endoniemen, de namen zoals ze in het land van herkomst zelf gelden. De vernederlandste vormen verliezen langzamerhand terrein. Dat geldt uiteraard niet voor plaatsnamen die al lang in het Nederlands voorkomen, zoals Parijs, Londen, Wenen, Lissabon, Warschau, Berlijn. Maar daarnaast hoor je steeds meer Frankfurt (Frankfort), Nürnberg (Neurenberg), Firenze (Florence), Sulawesi (Celebes), Bourgogne (Bourgondië) en Göteborg (Gotenburg). De VRT sluit zich bij die ontwikkeling aan: ook wij gebruiken de endonieme vormen die steeds couranter worden, maar passen ze min of meer aan ons uitspraaksysteem aan. Bij Göteborg bijvoorbeeld vernederlandsen we de Zweedse uitspraak jeuteborj tot geuteborg. Als we een vernederlandste vorm gebruiken, hanteren we de lijst van de Taalunie (Buitenlandse aardrijkskundige namen in het Nederlands, 1996) als norm. Bij twijfel hakt de taaladviseur de knoop door.

Het is van het grootste belang dat er met de taaladviseur wordt overlegd wanneer nieuwe namen opduiken. We moeten vermijden dat dezelfde naam op verschillende manieren wordt uitgesproken. In twijfelgevallen hakt de taaladviseur de knoop door. Wie de uitspraak van een ongewone naam heeft achterhaald, meldt die ook aan de taaladviseur.

 

Stijl en register

Bij een programma - en zelfs bij een hele zender - hoort een bepaalde stijl en een bepaald register. De taal van het journaal verschilt van de taal van een spelprogramma, en Studio Brussel hanteert in zijn geheel een volkomen andere taal dan Radio 1 of Radio 3. Het verschil zit in alle facetten van de taal: de woordkeus, de zinsbouw, de uitspraak.

Een register is een stilistische variant van een taal. De taalgebruiker heeft verschillende stijlniveaus of registers ter beschikking. Die vormen een continuüm gaande van een zeer informeel, vertrouwelijk register tot een zeer formeel, afstandelijk register. In de gezaghebbende woordenboeken worden registers aangeduid met labels als literaire taal, spreektaal, volkstaal, vulgair, gemeenzaam.

Bij een register hoort een bepaalde woordenschat. Het woordgebruik in een informeel spelprogramma is losser en spreektaliger dan in een zakelijk journaal. In Spel zonder Grenzen kon een deelnemer wel eens met een tuig ergens tegenaan knallen, maar in het journaal botst een Duitse hst tegen de pijler van een viaduct of hij rijdt ertegen op. Aan het register van de VRT-programma's moet nog hard worden gewerkt. Niet alleen moeten de journaals weer serener worden - kies niet altijd voor lijken als je het ook over lichamen kunt hebben -, maar de lossere programma's mogen ook informeler worden. Ze klinken nog te dikwijls als voorgelezen schrijfteksten.

Het register en de stijl van een programma bepalen ook hoe we een gast, een gesprekspartner of een geïnterviewde aanspreken. Er is dus variatie mogelijk. In een quiz, die in een informeel kader is gezet, kan de presentator gerust de kandidaten met hun voornaam aanspreken en ze dus ook tutoyeren. Een sportjournalist spreekt sportlui doorgaans ook met hun voornaam aan en tutoyeert ze. De presentator van een liedjesprogramma kan popartiesten met hun voornaam aanspreken en tutoyeren. In andere contexten gaan we ervan uit dat we respect voor de anderen moeten betonen en we spreken ze aan met u. Een journalist spreekt een minister, een vakbondsafgevaardigde, de woordvoerder van een grote onderneming enzovoort altijd aan met u. De meervoudsvorm van je is jullie, de meervoudsvorm van u is u. Als je de deelnemers aan een debat afzonderlijk met u aanspreekt, dan gebruik je ook u als je ze allemaal samen aanspreekt, niet jullie. Ook als je het hebt over een organisatie in haar geheel, gebruik je u of de naam van de organisatie: "De rechter heeft de fusie tussen de twee banken laten blokkeren. Gaat u in hoger beroep? Gaan de twee banken in hoger beroep?" Niet "Gaan jullie in hoger beroep?"

Het register en de stijl van een programma - en zelfs van een heel net - bepalen ook hoe we de kijkers of de luisteraars aanspreken. Strikte regels daarvoor zijn niet te geven, maar we gaan ervan uit dat we het publiek met respect aanspreken. In beginsel kiezen we dus voor de u-vorm. Maar een programma of net dat zich wil profileren met een informele aanpak, kan het publiek wel met je en jullie aanspreken. Radio Donna en Studio Brussel zijn misschien wel in hun geheel je-netten, Canvas daarentegen is eerder een u-net. Denk erom dat veel mensen gevoelig zijn voor de manier waarop ze worden aangesproken. Er zijn nu eenmaal conventies wat de aanspreekvormen betreft. Een misplaatste je kan ergernis opwekken en dat willen we vermijden.

Registers zijn ook te herkennen op grammaticaal niveau. In informele spreektaal tref je veel meer korte en halve zinnen aan. Zulke onafgewerkte taal hoort uiteraard niet thuis in een journaal of een actualiteitenmagazine, maar in andere programma's ontbreekt ze te veel. In een informatief maar ongedwongen programma als Vlaanderen Vakantieland, waarin de reporters over hun reizen of ervaringen komen vertellen, hoeft de taal niet zo grammaticaal perfect te zijn. Spreektaal is niet af.

Dit pleidooi voor informele spreektaal is alweer geen pleidooi voor taalanarchie. Registervariatie is wat anders dan het gebruik van streektaal of dialect in informele situaties, hoewel die in Vlaanderen in dat geval wel worden gebruikt. Nog te vaak is in een onbewaakt moment te veel tussentaal à la "hoe hete gij?" of "hoe doede da?" te horen op de openbare omroep. Het doel moet zijn dat onze presentatoren erin slagen de standaardtaal in al haar registers (dus ook de informele) te gebruiken. Tussentaal van het "hoe hete gij"-type beschouwen wij niet als een register van de standaardtaal, maar als een slechte benadering daarvan.

 

Oproep

De lijnen van het taalbeleid uitzetten is de taak van de taaladviseur, maar het taalbeleid uitvoeren is de opdracht van alle omroepmedewerkers. De taaladviseur en de stuurgroep Taaladvies roepen daarom alle medewerkers op om dit taalcharter toe te passen zodat we met z'n allen de kwaliteit van de omroeptaal kunnen blijven garanderen.

 

Ruud Hendrickx, 17 juli 1998

 

 


Dit is de tekst van het oorspronkelijke taalcharter uit 1998. Het geldende taalcharter is het Taalcharter 2012.