Taalbeleid in de media

VRT-toren

 

Inleiding

Het lijkt vanzelfsprekend dat omroepen, bedrijven die vooral taal produceren, een actief taalbeleid voeren. Toch is niets minder waar. De taaladviseur bij de omroep, die praktisch taaladvies geeft en over de aantrekkelijkheid, duidelijkheid en correctheid van het taalgebruik waakt, is een vrijwel uitsluitend Vlaams verschijnsel. Bij de VRT hebben ze er al veertig jaar een die alle netten in de gaten houdt, bij VTM hebben ze er een voor het journaal. Alleen bij de Zweedse openbare omroep is er een vergelijkbare functie.

Bij de VRT is het actieve taalbeleid eind jaren zestig, begin jaren zeventig ontstaan. De eerste taaladviseur, Eugène Berode, zette de aanpak van bestuursdirecteur Informatie Karel Hemmerechts, een echte taalzuiveraar, voort. De aanstelling van Berode paste in de tijdgeest: er ontstonden toen ABN-kernen in Vlaanderen, Joos Florquin en Marc Galle brachten taalprogramma’s op tv en radio, en Nederlanders als de taalkundige P.C. Paardekooper en de radiopresentatrice Annemarie Coebergh werden naar Vlaanderen gehaald om ons met de Nederlandse norm te laten kennismaken.

In deze bijdrage kijk ik met Eugène Berode terug op 25 jaar blauwe brieven (zo werden de taalopmerkingen genoemd die Berode naar de medewerkers stuurde, uiteraard via de hiërarchische weg) en schetst ik de huidige toestand bij de VRT.

Veertig jaar taalbeleid

Bij zijn afscheid van de omroep in 1996 sprak Berode nog een laatste keer de radio- en tv-medewerkers toe. Hij gaf een overzicht van zijn beleid en wat het had opgeleverd. Zijn uitgangspunt was eenvoudig: de omroep moet zijn taal verzorgen omdat het tot zijn publieke opdracht behoort. De Vlaamse overheid had bij decreet vastgelegd dat zij Nederlands als voertaal zou gebruiken en nam taaladviseurs in dienst. ‘Als de overheid het goede voorbeeld geeft, kunnen wij niet doen alsof onze neus bloedt.’ (Berode, 1996).

Verzorgde omroeptaal moest voor Berode esthetisch, conventioneel en efficiënt zijn. Luisteraars en kijkers mogen mooi, creatief, verrassend, origineel en spits taalgebruik dan wel op prijs stellen, maar daar kan een taaladviseur weinig hulp bij bieden, vond hij. Die kan er wel op toezien dat de omroeptaal zich aan de taalconventies, de geldende normen, houdt, want goed Nederlands is voor kijkers en luisteraars het Nederlands dat zij op school geleerd hebben. Daarom noemde Berode zijn adviezen aan de conservatieve kant. Op de derde plaats stond voor Berode efficiëntie: hoe minder moeite mensen zich moeten getroosten om te begrijpen wat ze horen, hoe beter ze de taaluiting vinden. Daarom raadde hij aan die taalvorm te gebruiken die de bedoeling zo eenvoudig mogelijk weergaf.

Een jaar na Berodes vertrek, in 1997, gaf de Vlaamse overheid de toenmalige BRTN in de eerste beheersovereenkomst expliciet de opdracht haar taal te verzorgen: ‘Het ganse aanbod van de instelling moet worden gekenmerkt door de kwaliteit van de programma’s zowel naar inhoud, naar vorm als naar taalgebruik.’ (Beheersovereenkomst 1997-2001). De opdracht geldt nog steeds.

Als antwoord presenteerden de stuurgroep Taaladvies en ikzelf de eerste versie van het taalcharter van de omroep. Daarin ging de VRT een verbintenis met de Vlaamse overheid aan: ‘De VRT wil de norm voor de Belgische variant van de Nederlandse standaardtaal zijn en blijven. Hij hanteert daarom een aantrekkelijke, duidelijke en correcte standaardtaal die rekening houdt met en afgestemd is op de kijkers en de luisteraars.’ (Hendrickx, 1998). Dat engagement was grotendeels een voortzetting van het beleid van Berode.

Het Taalcharter veranderde echter de volgorde in de top drie van de taalnormen en definieerde de termen ook anders. Duidelijkheid – de efficiëntienorm – werd gaandeweg het belangrijkst. Hebben de kijkers en luisteraars de boodschap begrepen? Aantrekkelijkheid – de esthetische norm – houdt niet noodzakelijk mooi, creatief en spits in. Een tekst kan ook aantrekkelijk zijn doordat hij zich aan de conventies van de gesproken taal houdt, in eenvoudige bewoordingen opgesteld is, zich direct tot de kijkers en luisteraars richt en hen daardoor niet loslaat.

Nieuw in het Taalcharter van 1998 was dat de omroep uitdrukkelijk ruimte voor het Belgische Nederlands liet. Ook dat paste in de tijdgeest. Voor Berode was het vanzelfsprekend dat de uitspraak Belgisch was en dat de omroep Belgische institutionele termen en beeldspraak gebruikte. Het Taalcharter ging een stap verder. Volgens het Taalcharter behoorden ook die woorden tot de verzorgde omroeptaal die de Grote Van Dale als ‘algemeen Belgisch-Nederlands’ labelde, tenminste als zij geen klassieke gallicismen waren. Voor steeds meer taalbewuste Vlamingen lag aan het eind van de twintigste eeuw de norm niet meer per se in het Noorden.

Intussen is taalvariatie het officiële beleid van de Taalunie en wordt het Nederlands door nagenoeg alle taalkundigen en taaladviseurs als een meerpolige taal gezien. Ook voor de huidige VRT is de meerpoligheid van het Nederlands vanzelfsprekend. Maar toch houdt de omroep nog steeds rekening met de conventienorm, waar het publiek graag aan vasthoudt. Nog steeds geldt de uitspraak van Berode: ‘Je moet de luisteraar niet ergeren, want een geërgerde luisteraar luistert niet.’

Resultaten van een taalbeleid

Levert een taalbeleid bij een omroep iets op? Zeker. Bij zijn afscheid in 1996 kon Berode dat bewijzen aan de hand van zijn blauwe brieven. Hij zei dat het taalgebruik van de omroep steeds efficiënter wordt: we schrijven leesbaarder, we formuleren helderder. De duidelijkheid en daarmee de toegankelijkheid van het taalgebruik is er de laatste jaren nog verder op vooruitgegaan. Op alle radio- en televisienetten wordt minder afgelezen en meer spontaan gesproken. Daardoor worden de woorden automatisch minder gezocht, de zinnen minder complex en de teksten overzichtelijker.

Bij zijn vertrek merkte Berode een duidelijk verschil tussen het taalgebruik van 1996 en dat van 1971, al moest hij vaak nog dezelfde opmerkingen maken. Ook nu nog zijn er hardnekkige fouten. We hebben het nog vaak over de loonkost in plaats van de loonkosten. En zulke lijkt in Vlaanderen wel op sterven na dood.

Berode moest ook constateren dat er onder zijn beleid gallicismen bij gekomen waren. ‘Nu laten we politici vaak de kalender van hun werkzaamheden vaststellen. Gregorius XIII heeft onze kalender vastgesteld en zeg dus “tijdschema” als u dat bedoelt.’ De politici en de ambtenaren hebben nog steeds invloed op het taalgebruik van de omroep: ze onderhandelen iets in plaats van over iets, ze stemmen iets in plaats van over iets, ze seinen verdachten in plaats van ze te laten opsporen.

Opvallend is dat Berode het vrijwel nooit over anglicismen had. Die zijn er intussen wel bij gekomen. Bij een bomaanslag worden burgers gedood terwijl ze eigenlijk zijn omgekomen, we sturen 34.000 troepen naar Afghanistan in plaats van militairen, de Amerikaanse president wordt ingezworen in plaats van beëdigd.

Berode concludeerde ook: ‘Veel afwijkingen van de standaardtaal komen nu veel minder voor. Of zijn zelfs helemaal verdwenen.’ Die tendens zet zich door. We zeggen vrijwel nooit meer dat iemand iets op zijn actief heeft, ministers worden vrijwel nooit meer aangeduid, bekomen gebruiken we vrijwel nooit meer, we doen nu een beroep op iemand, een faillissement noemen we vrijwel nooit meer een faling en ‘middens’ zijn vrijwel altijd kringen.

Ondanks de inspanningen die de omroep levert, krijgt hij geregeld de kritiek te horen dat de kwaliteit van het taalgebruik op radio en televisie achteruitgaat. Niet toevallig merken vooral oudere kijkers en luisteraars op dat de taal ‘verloedert’, al speelt vroeger was het allemaal beter daarin zeker mee. En zoals Berode al opmerkte: iedereen vindt het Nederlands goed dat hij of zij op school geleerd heeft.

Niemand zal ontkennen dat het taalgebruik op radio en televisie de laatste jaren veranderd is. Overal worden radio en televisie informeler: ze staan niet meer boven de luisteraars en kijkers, maar ze zien zichzelf terecht als een van hen. Daardoor klinken de media nu anders dan veertig, vijftig jaar geleden.

In het Verenigd Koninkrijk is het Queen’s English allang niet meer de norm van de BBC. Ongegeneerd laat hij lokale accenten horen: de weerman is Schots, de populairste presentatoren zijn onvervalste Geordies. In Nederland is de uitspraak van een Paul de Leeuw nog nauwelijks standaardtalig te noemen. Ook in Vlaanderen worden de media informeler: het taalgebruik wordt losser, volgens sommigen te los. Toch zijn de Vlaamse media nog vrij conservatief en houden ze vast aan de norm van de accentloze uitspraak.

De vraag is hoe lang we dat nog kunnen volhouden. Momenteel slaagt nog nauwelijks drie procent van de kandidaten meteen voor de stemtest. Veel jonge kandidaten zijn ervan overtuigd dat ze standaardtaal spreken, al sluipen er regionale kenmerken in. Het lijkt erop dat hun woordkeus en zinsbouw vrij standaardtalig is en dat ze hun eigenheid willen uitdrukken door hun accent.

De omroep krijgt ook geregeld te horen dat hij het slechte voorbeeld geeft, onder meer door fictie in tussentaal te maken. Vreemd genoeg is dat een vrij recente klacht. Bij mijn weten was er vroeger veel minder discussie over welke taal in fictie gesproken werd, terwijl Sarah Van Hoof op de VRT-Taaldag in oktober 2009 heeft laten zien en horen dat er in vijftig jaar televisie nauwelijks iets veranderd is in het taalgebruik in series.

En toch is er iets veranderd in het taalbeleid in verband met fictie, maar dan ten goede. De VRT is er zich van bewust dat ze een normverspreider in Vlaanderen is. Daarom is in 2007 in het vernieuwde taalcharter opgenomen dat fictie in de regel in standaardtaal gemaakt wordt. Dat geldt met name voor kinder- en jongerenfictie. Ketnet kiest dan ook resoluut voor fictie in de standaardtaal. In fictie voor volwassenen kan het gebruik van dialect en tussentaal de authenticiteit vergroten.

Anders dan vroeger strekt het taalbeleid van de VRT zich nu ook buiten de traditionele domeinen van radio en televisie uit. Met de website VRTtaal.net en de wekelijkse Taalmail stelt de omroep zijn taalkennis ter beschikking. Sinds 2008 houdt de omroep ook jaarlijks een Taaldag, waarmee hij het taaldebat in Vlaanderen levend wil houden.

Voor de VRT is het Nederlands niet alleen het werkinstrument bij uitstek, maar ook het middel dat zes miljoen Vlamingen met elkaar verbindt. De VRT wil met haar taalbeleid graag de toon in Vlaanderen blijven zetten.

Ruud Hendrickx
VRT-taaladviseur