Eropuit!

"Beste taalraadsman," schrijft een collega die per se anoniem wil blijven want hij heeft te veel puristen in zijn buurt, "is er een algemene regel voor 'samengestelde' woorden zoals: er-van-uit, er-op-aan, van-in? Schrijf je die woorden nu apart of aan-een of af en toe apart of ... Dat zou ik nu eens in Open Kaart willen lezen, zie. Daar kan je 'van-op-aan'."

Beste collega, ik zal m'n uiterste best doen om het zo eenvoudig mogelijk uit te leggen. Maar ik ben bang dat ik daar niet één, maar twee stukjes voor nodig zal hebben, want het is best ingewikkeld. Daar gaan we.

Het spellingprobleem van onze collega heeft te maken met voornaamwoordelijke bijwoorden en scheidbaar samengestelde werkwoorden. Pardon? Een voornaamwoordelijk bijwoord is - om het eenvoudig te houden, want helemaal volledig is het niet - een combinatie van er, hier, daar of waar met op z'n minst één voorzetsel. In de regel schrijf je zulke voornaamwoordelijke bijwoorden in één woord. Dus: eraan, hieronder, daarop, waaruit enzovoort. Dan krijg je:

  • Ik wijs op een fout → Ik wijs erop
  • Uit het verslag concludeer ik dat ... → Daaruit concludeer ik dat...
  • Aan welke trekken kun je dat zien? → Waaraan kun je dat zien?

Nu kan een voorzetsel ook het eerste deel van een zogenaamd samengesteld scheidbaar werkwoord worden. Voorbeelden daarvan zijn aanknopen, onderduiken, opstaan, uitgaan. Die worden in de regel ook in één woord gespeld. Maar ze heten scheidbaar omdat dat eerste deel ook los voor kan komen, zoals voor in deze zin.

Het wordt pas knap lastig als zo'n scheidbaar samengesteld werkwoord doorgaans met hetzelfde voorzetsel wordt gecombineerd, zoals uitgaan met van. Wat gebeurt er dan? Uit is een onderdeel van het werkwoord. Het moet daarom zo veel mogelijk aan dat werkwoord vast geschreven worden en kan niet aan er, hier, daar of waar geplakt worden. Van is een los voorzetsel en moet zo veel mogelijk aan er, hier, daar of waar vast geschreven worden. Uit en van kunnen nooit aan elkaar geschreven worden.

  • Ik ga uit van het feit dat ... → Ik ga ervan uit dat ...
  • Ik ben uitgegaan van het feit dat ... → Ik ben ervan uitgegaan dat ...
  • ... dat hij van dat feit uitgaat → ... dat hij daarvan uitgaat.
  • Van welke veronderstellingen gaat hij uit? → Waar gaat hij van uit?

Je moet dus weten hoe de grondvorm van het werkwoord luidt om het correct te kunnen spellen. Nog een paar voorbeelden:

  • uitkomen voor je geaardheid → ervoor uitkomen: kom ervoor uit
  • afgaan op iemands woorden → erop afgaan: je mag er niet op afgaan
  • afhangen van de omstandigheden → ervan afhangen: het hangt ervan af wat je bedoelt
  • ingaan op avances → erop ingaan: vraag niet dat ik daarop inga
  • iemand erin luizen (het werkwoord inluizen bestaat niet)

Moeilijk? Volgende week gaan we er pas flink tegenaan!