Correct Nederlands en woordenboeken

0. Inleiding

Stelt u zich eens voor dat u een verslag aan het schrijven bent over een onderzoek dat u hebt gedaan en dat u de volgende zin al op papier hebt gezet: De bedoeling van het project was het niveau van de (mondelinge) beheersing van het Nederlands en het schoolsucces vast te stellen.

In plaats van bedoeling zou u liever opzet schrijven, maar u weet niet of het de opzet of het opzet moet zijn. U slaat er dus uw Grote Van Dale op na en leest:

  • opzet, I (de (m.);-ten), 1 (...) 5 het op-touw-zetten van iets, of de wijze waarop dit geschiedt: het plan kon niet slagen want de opzet was verkeerd; de opzet van de begroting, het opzetten, ineenzetten ervan; (...); - bedoeling, intentie: de opzet was de stad voor de avond te verlaten, het beoogde doel
  • II (het;g.mv.), 1 (vaak ongunstig) bedoeling, voornemen, plan: zijn opzet is mislukt; een opzet maken, smeden, doorzetten; met het opzet om -, zich voorgenomen hebbende; (...)

Wat nu? Zowel de opzet als het opzet kunnen volgens de Grote Van Dale "bedoeling" betekenen. Met de Grote Van Dale komt u er dus niet uit.

Als u geregeld een woordenboek raadpleegt bij het schrijven of vertalen van een tekst, zult u wellicht al vaak hebben gemerkt dat het u bij bepaalde problemen niet uit de brand helpt. De zaken enigszins vereenvoudigend, kun je de oorzaak daarvan in een paar woorden samenvatten. Algemene, eentalige woordenboeken zoals de Grote Van Dale, de twee Hedendaagse Van Dales, de Eigentijdse Koenen en het Kramers handwoordenboek Nederlands, zijn in de eerste plaats verklarende woordenboeken. In wezen is een verklarend woordenboek niets meer dan een (alfabetische) lijst van woorden, woordgroepen, uitdrukkingen, zegswijzen en spreekwoorden met de verklaring van hun betekenis. U kunt er dus in opzoeken wat een woord betekent als u het niet begrijpt, of checken wat het precies betekent als u al een vermoeden hebt. Een verklarend woordenboek is dus allereerst een hulp bij het begrijpen, met andere woorden bij het lezen van een tekst.

Maar verklarende woordenboeken hebben in de praktijk ook een normatieve functie. Veel Nederlandstaligen raadplegen ze als bron voor wat goed Nederlands is. Ze willen dat hun woordenboek bij elk taalprobleem de knoop doorhakt. Als je erin opzoekt of opzet het lidwoord de of het bij zich heeft, vraag je eigenlijk naar de norm, dat wil zeggen naar wat in de standaardtaal als correct geldt. Wie zijn woordenboek als vraagbaak gebruikt bij het schrijven, dus het produceren van taal, moet weten dat hij het dan inzet voor iets waarvoor het in feite niet bedoeld is.

Onder woordenboekgebruikers heersen twee hardnekkige misverstanden. Aan de ene kant denken ze dat alles wat in hun woordenboek staat goed Nederlands is, en omgekeerd beschouwen ze alles wat er niet in staat als verkeerd. Beide opvattingen zijn fout.


1. Het staat erin!
1.1 Beschrijven of voorschrijven?

De Grote Van Dale is in beginsel normatief. Het is een woordenboek van het algemeen gangbare Nederlands zoals dat in Nederland en Vlaanderen wordt gesproken en geschreven. De redacteuren beschrijven erin wat zij als goed taalgebruik beschouwen en daardoor krijgt hun woordenboek een vóórschrijvend karakter en gezag. Anders gezegd: de Grote Van Dale is descriptief in het opnemen van woorden, betekenissen en verbindingen, en normatief in het kwalificeren daarvan. Als een woord zonder meer in de Grote Van Dale is opgenomen, is het standaardtaal.

De Hedendaagse Van Dale is minder normatief dan de Grote Van Dale. Hij is naar eigen zeggen "uiterst waakzaam bij het toekennen van waardeoordelen". De redacteuren hebben consequent een louter beschrijvend criterium toegepast. Die tolerante en registrerende opzet is er volgens hen de oorzaak van dat ook kromme taal is opgenomen. De redactie is er zich overigens van bewust dat ze het daarmee de gebruikers moeilijk maakt, die het woordenboek raadplegen om de juistheid van een woord te controleren. Je vindt er bijvoorbeeld meerderwaardigheidsgevoel in, wat strikt genomen meerwaardigheidsgevoel moet zijn. De Grote Van Dale - althans de papieren versie, niet de cd-rom - noemt de eerste een minder juiste vorm.

Het Hedendaagse Handwoordenboek is een ingekorte en bijgewerkte versie van de Hedendaagse Van Dale. Het is bedoeld als taalhulp voor leerlingen, studenten en ambtenaren. Het Hedendaagse Handwoordenboek neemt een dubbelzinnig standpunt in. Aan de ene kant is het door zijn afkomst een louter beschrijvend woordenboek, aan de andere kant stelt het zichzelf voor als een bron van correct Nederlands.


1.2 Labels

Wat hierboven over de Grote Van Dale gezegd werd, betekent geenszins dat alles wat in dat woordenboek staat goed Nederlands is. Hij neemt ook woorden op die geen gangbare standaardtaal zijn. De reden daarvoor is dat hij in de eerste plaats een hulp bij het lezen en begrijpen van teksten wil zijn. Er staan dus ook woorden in die al lang verouderd zijn of alleen nog in sommige dialecten gebruikt worden, wat overigens dikwijls samengaat. De lezer heeft het recht om ook van die woorden de betekenis te leren kennen.

Normaal krijgen die woorden een etiket opgeplakt. In het woordenboekenjargon heet dat een label. Sommige labels zijn een teken dat het woord waar het bij staat, echt fout is. Andere geven alleen maar aan dat het woord slechts in bepaalde kringen of stijlen voorkomt. In dat geval is het dus wel goed.

Barbarismen

Woorden waar germanisme, gallicisme of anglicisme bij staat, worden als taalfouten beschouwd. De toevoeging van die labels betekent zoveel als "het woord komt wel voor, maar we raden u af dat u het zelf gebruikt, omdat het letterlijk vertaald Duits, Frans, Engels is". De Grote Van Dale neemt die -ismen op, geheel volgens de beschrijvende taak van het woordenboek. Maar ze zijn ook duidelijk gekwalificeerd, in overeenstemming met het normatieve karakter van het woordenboek. Alleen doet de dertiende Grote Van Dale dat niet meer met de bekende labels. Die zijn "achterwege gelaten, omdat deze doorgaans als afkeuring ervaren kwalificatie is vervangen door herkomstinformatie". Bij op zijn honger blijven lezen we: "leenvertaling van Fr. rester sur sa faim". Wie zijn woordenboek normatief wil gebruiken, kan die boodschap het best interpreteren als: niet gebruiken!

De labels germanisme, anglicisme en gallicisme tref je ook in de Hedendaagse Van Dale niet aan. In de eerste druk hadden deelname, hardmetaal, inlossen en het telwoord meerdere het label germanisme meegekregen, maar dat was een schoonheidsfoutje, dat achteraf hersteld is. De Eigentijdse Koenen bewandelt in deze aangelegenheid de gulden middenweg. Hij is niet zo snel geneigd om een oorspronkelijk barbarisme burgerrecht te verlenen, zonder daarom echte waardeoordelen te vellen. Het Hedendaagse Handwoordenboek kent geen barbarismenlabels toe. De net genoemde germanismen (behalve hardmetaal) zijn er zonder meer in opgenomen, net als het gallicisme akkoord zijn met. In Kramers staan ook geen barbarismenlabels. Het woordenboek neemt wel veel typische gallicismen op, maar plaatst daar het label Zuid-Nederlands bij, omdat het gebruik van die gallicismen doorgaans tot het Nederlands in België beperkt is.

Registeraanduidingen

De labels die barbarismen markeren, mogen niet verward worden met aanduidingen als archaïsch, dichterlijk, plat, informeel. Die geven niet zozeer aan dat het woord in kwestie verkeerd is, als wel dat het niet in alle contexten past. De Grote Van Dale onderscheidt vier stilistische niveaus. Behalve de neutrale, ongemarkeerde woorden onderscheidt hij formele woorden (verbeiden), informele woorden (getikt) en vulgaire woorden (zeiken). In de twaalfde druk merkten de redacteuren terecht op dat de grens tussen informeel en neutraal, net als die tussen informeel en vulgair, vlottend is. Wat de ene nog acceptabel vindt, is voor de ander misschien uit den boze.

Koenen heeft veel plat- en informeel-aanduidingen geschrapt. De reden daarvoor was: "Het taalgebruik in landelijke dag- en weekbladen en bij televisie-uitzendingen geeft geen steun meer voor een dergelijk etiket. Etikettering van woordgebruik bestaat wel, maar is een individueler keus geworden". In Koenen vinden we dan ook kommaneuker, pissen en zich afrukken zonder label. Voor de Hedendaagse Van Dale zijn die woorden informeel en het laatste zelfs vulgair. De Grote Van Dale noemt de eerste twee respectievelijk "schertsend, minachtend" en "informeel". Het derde heeft geen label (vergeten?). Kramers gebruikt alleen het label "gemeenzaam".

Belgisch-Nederlands

Voor Vlamingen is vooral het etiket AZN (in de Hedendaagse Van Dale en Koenen), Belg.Ned. (in de Grote Van Dale) en ZN (in Kramers) van belang. De Grote en de Hedendaagse Van Dale zeggen dat de woorden waarvan aangegeven is dat ze alleen in België voorkomen, helemaal niet verworpen mogen worden. Maar wie ze gebruikt, moet wel beseffen dat hij zich dan van het Algemene Nederlands verwijdert en dat zijn Nederlandse lezers hem misschien niet begrijpen. U moet dus zelf uitmaken of u goesting of trek hebt in een tas of een kop koffie. Maar als u het eerste alternatief kiest, besef dan wel dat u dan geen algemeen Nederlands schrijft.

Vanaf de dertiende druk behandelt de Grote Van Dale het Nederlands in België op een systematische manier. Het woordenboek erkent dat er in weerwil van een overgrote mate van overeenkomst verschillen zijn tussen het Nederlands dat in Nederland gebruikelijk is en het Nederlands dat in Nederlandstalig België gehanteerd wordt. De Grote Van Dale gaat ervan uit dat ook binnen het Belgische Nederlands een onderscheid bestaat tussen woorden en uitdrukkingen die in verzorgd, standaardtalig taalgebruik voorkomen (arbeidsgeneesheer, wijsheidstand, fruitsap) en lexicale elementen die alleen met een bijzondere waarde of in een bijzondere context gebruikt kunnen worden. Woorden van het eerste type hebben het label Belg.N. gekregen. Bij Belgische woorden die niet tot de standaardtaal in België gerekend worden, is een extra label toegevoegd: Belg.N., spreekt. (pateeke). De Grote Van Dale onderscheidt daarnaast nog woorden die specifiek zijn voor het Belgische Nederlands omdat ze dingen noemen die exclusief of typisch Belgisch zijn. Bij zulke woorden staat geen label, maar komt het Belgische karakter tot uiting in de definitie. Doopsuiker, bijvoorbeeld, wordt gedefinieerd als "suikergoed dat in België bij de geboorte van een kind aan vrienden en kennissen ten geschenke wordt aangeboden".

Ook in de Hedendaagse Van Dale wordt het Belgische Nederlands op een systematische manier behandeld. Woorden die in verzorgd, standaardtalig taalgebruik voorkomen, zoals affairisme, arbeidsgeneesheer, tweewoonst en wijsheidstand hebben het label (in België) gekregen. Als Belgische woorden niet tot de standaardtaal in België gerekend worden, is een extra label toegevoegd. Zo zijn scheefslaan en unief gemarkeerd als (in België, informeel), en fabrikeren en tornooi als (in België, niet algemeen). In al deze gevallen gaat het om woorden die door de spraakmakende gemeente in Nederlandstalig België in verzorgd taalgebruik niet of minder vaak gebruikt worden: het label 'niet algemeen' geeft aan dat het woord of de uitdrukking - in verzorgd taalgebruik - een frequenter synoniem heeft, 'informeel' betekent dat het woord of de uitdrukking in hoofdzaak spreektalig is. Van woorden die als min of meer officiële benamingen van Belgische functies, instellingen en dergelijke beschouwd kunnen worden, of verwijzen naar een exclusief Belgische context, zoals faciliteitengemeente, gewestraad, gordelen, taalpariteit blijkt het Belgische/Vlaamse karakter uit de definitie zelf. Hier is geen label aangebracht.

Kramers besteedt uitvoerig aandacht aan het taalgebruik beneden de grote rivieren. De redactie heeft voor de twintigste druk Walter de Clerck in de arm genomen en hem gevraagd een selectie uit zijn woordenboek van het Zuid-Nederlands te maken. Ruim verspreide woorden uit het Nederlands in België werden opgenomen, echt lokale woorden werden geweerd. Daardoor is Kramers zowat het meest volledige handwoordenboek voor het Belgische Nederlands. Bij elk woord en elke uitdrukking wordt als betekenisverklaring de standaardtaalvariant gegeven.


1.3 Diachroon of hedendaags?

Iets helemaal anders is dat de Grote Van Dale een diachroon woordenboek is. Hij legt niet alleen het hedendaagse Nederlands vast, maar ook dat van een vroegere periode. Diachroon betekent in dit geval dat het Nederlands van de laatste 125 jaar (1880-2005) beschreven is. Het is de bedoeling dat de Grote Van Dale bij het lezen van oudere literatuur (Multatuli, Streuvels) een goed hulpmiddel is. De eerste betekenis in Van Dale is meestal ook de oudste. Het kan best dat het woord nu niet meer in die zin wordt gebruikt. Zo staat als eerste betekenis bij kostelijk "kostbaar". Maar wie in het moderne Nederlands kostelijke oorbellen cadeau krijgt, durft er zich vast niet mee op straat te vertonen.

Verouderde betekenissen staan niet in de Hedendaagse Van Dale, de Eigentijdse Koenen, het Hedendaagse Handwoordenboek of Kramers. Die vier woordenboeken zijn een beschrijving van het moderne Nederlands. In de Hedendaagse Van Dale wordt in principe de woordenschat van na de Tweede Wereldoorlog beschreven. Verouderde woorden of betekenissen zijn alleen maar opgenomen als er een redelijke kans is dat de gebruiker ze nu nog tegenkomt, bijvoorbeeld in literaire teksten. Bij de ordening van de verschillende betekenissen is ernaar gestreefd de meest alledaagse en de meest algemene betekenis voorop te plaatsen.


2. Het staat er niet in ...

Wat in het woordenboek staat, hoeft dus niet per se goed Nederlands te zijn. Maar dat al wat er niet in staat per definitie slecht Nederlands is, klopt evenmin. En dat is heel gemakkelijk in te zien en aan te tonen.


2.1 Bronnen

Alle Nederlandse woordenboeken, ook Van Dale, zijn schatplichtig aan het Woordenboek der Nederlandsche Taal (WNT). Het WNT is beginnen te verschijnen in het midden van de vorige eeuw en was pas in 1998 helemaal klaar. Ook in de Grote Van Dale zijn de woorden die het WNT niet behandelt dus nog maar voorlopig. Hoe sterk Van Dale van het WNT afhangt, blijkt wel hieruit: zodra een deeltje van het WNT klaar is, dijt hetzelfde stuk in Van Dale met zo´n vijftig percent uit. Voor de tiende druk van Van Dale, bijvoorbeeld, kon Kruyskamp beschikken over het gedeelte trekken-tuin van het WNT. In de Van Dale werd daardoor het traject uitgebreid van 27 tot 40 kolommen. Aangezien het WNT geen materiaal van na 1921 opneemt, kon in de elfde, twaalfde en dertiende druk van de Grote Van Dale niet zo sterk meer op het WNT geleund worden. Daarom wordt nu dankbaar gebruik gemaakt van de gegevensbank van het Instituut van de Nederlandse Lexicologie, die ook het grondmateriaal voor de nieuwe Woordenlijst geleverd heeft.

In de praktijk neemt het WNT een woord alleen maar op als het in een geschreven bron voorkomt. Meestal zijn die bronnen literaire werken. Het gevolg daarvan is dat er heel wat woorden uit de gesproken huis-, tuin- en keukentaal in het WNT ontbreken en dus ook in de woordenboeken van het Nederlands.

De Hedendaagse Van Dales, de Eigentijdse Koenen en Kramers hebben iets willen doen aan dat gebrek aan gewoon Nederlands. Oorspronkelijk was het de bedoeling dat er een corpus van alledaags taalgebruik aangelegd zou worden voor het samenstellen van de Hedendaagse Van Dale. Om allerlei redenen is dat eerst mislukt. Intussen beschikt Van Dale Lexicografie over grote tekstverzamelingen. Bij de samenstelling daarvan is veel zorg besteed aan informeel taalgebruik dat vaak de gesproken taal vertegenwoordigt, aan de woorden die we ontmoeten in onze dagelijkse lectuur (krant, reclame enz.) en aan woorden en gebruiksmogelijkheden die te maken hebben met nieuwe maatschappelijke en technologische ontwikkelingen (bv. telefonie, internet, 24-uurseconomie en zorgsector).


2.2 Achterstand

Een woordenboek loopt achter op het feitelijke taalgebruik. Het bewerken en drukken ervan neemt al snel vijf jaar in beslag. Woorden die na het afsluiten van het redactionele werk zijn opgekomen, staan er dus niet in. Bovendien neemt de Grote Van Dale niet meteen een nieuw woord op. Hij wacht af of het woord na een tijdje niet weer verdwijnt. "Om in de Grote Van Dale opgenomen te worden, moeten de algemene woorden, verbindingen en uitdrukkingen en de nieuwe betekenisaspecten gedurende enige tijd regelmatig worden aangetroffen in het taalgebruik van de spraakmakende gemeente. (...) In de praktijk komt dat erop neer dat de bewerkers vernieuwingen hebben geregistreerd die ze gedurende ten minste een drietal jaren met een zekere regelmaat in boeken, kranten, tijdschriften en weekbladen die niet specifiek tot de vakliteratuur behoren, hebben aangetroffen of in soortgelijke contexten op radio of televisie en rondom hen hebben gehoord." (p. XI)

Door de manier waarop de moderne woordenboeken worden samengesteld (met behulp van een geautomatiseerde gegevensbank) kunnen ze in principe sneller reageren op het veranderende taalgebruik. Als er vandaag een nieuw woord in de krant opduikt, kan het bij wijze van spreken dezelfde dag nog aan het woordenbestand worden toegevoegd. Dat bestand moet dan natuurlijk nog gezet en gedrukt worden. Oorspronkelijk hoopten de redacteuren van de Hedendaagse Van Dale, bijvoorbeeld, dat ze om de vijf jaar een nieuwe editie op de markt konden brengen. Maar uiteindelijk hebben ze er ruim acht jaar over gedaan. Van de nieuwe Grote Van Dale op cd-rom verschijnt er jaarlijks een bijgewerkte versie.


2.3 Woordvorming

Het Nederlands kan samenstellingen en afleidingen maken. In principe kunnen die onbeperkt langer worden, maar in de praktijk houden we ze natuurlijk binnen de perken. Al die samenstellingen en afleidingen hoeven niet in een woordenboek te staan, omdat we ze allemaal zelf kunnen maken en begrijpen. Als je van groengroenachtig kunt afleiden, kun je ook van blauw blauwachtig en van rood roodachtig maken. Zelfs een monsterwoord als kindercarnavalsoptochtvoorbereidingswerkzaamhedendrukte kan iedere Nederlandstalige begrijpen, omdat hij weet wat de afzonderlijke delen betekenen.

Vanaf de twaalfde druk behandelt de Grote Van Dale systematisch de voor-en achtervoegsels en de woorddelen op basis waarvan nieuwe woorden met een doorzichtige betekenis gemaakt kunnen worden. Bij die elementen wordt vermeld met welke soorten woorden ze verbonden kunnen worden. Zo wordt bij -age vermeld dat het een nieuw substantief vormt door combinatie met de stam van een werkwoord, met name van een werkwoord op -eren. In de dertiende druk van de Grote Van Dale wordt bij een woord soms ook vermeld welk type samenstelling met dat woord gemaakt kan worden, gevolgd door een opsomming van voorbeelden.


2.4 Inhoudelijke beperkingen

De woordenboeken van het Nederlands leggen zichzelf inhoudelijke beperkingen op: ze hebben niet de pretentie dat ze volledig willen zijn. Technische termen en vaktaal nemen ze maar heel beperkt op. Alleen woorden uit domeinen waar ook Jan Modaal mee te maken krijgt, staan erin. Zo vind je wel woorden uit de pc-wereld, de sport, de film en de televisie, maar gespecialiseerde vakgebieden als de kernfysica en de neurologie vallen buiten het terrein van een woordenboek van het algemeen gangbare Nederlands. Uiteraard staan niet alle woorden uit de verwerkte domeinen in het woordenboek. Insleutelen is VRT-jargon voor het in beeld brengen van ondertitels en staat niet in Van Dale.

Redacteuren van woordenboeken zijn daarbij ook maar mensen. Ze hebben geen onfeilbare taalkennis en kunnen zich vergissen of iets over het hoofd zien. Zo gaf de elfde druk van Van Dale ten onrechte ondergoederen als meervoud van ondergoed op.


2.5 Commerciële beperkingen

Een woordenboek is een dure onderneming voor de uitgever. In het Nederlandse taalgebied is een woordenboek met de omvang van de Amerikaanse Webster financieel niet haalbaar. Omdat de oplage van een Nederlands woordenboek betrekkelijk klein is, zou zo´n turf te veel gaan kosten. Dus moet er gesnoeid worden in het aantal opgenomen woorden.


Conclusie

Aan het begin van dit stukje heb ik opgemerkt dat verklarende woordenboeken eigenlijk niet gemaakt zijn om bij het schrijven of vertalen ingeschakeld te worden. Toch doen veel mensen dat. Ze zoeken er de Nederlandse norm in op. De Nederlandse woordenboeken lijken er een beetje voor terug te schrikken om die algemene lexicale norm voor het Nederlands te geven. De Grote Van Dale is in beginsel wel normatief, maar al in de tiende druk (de wijnrode tweedelige Van Dale) zwakte de toenmalige redacteur, Kruyskamp, het gezag van het woordenboek enigszins af. Kruyskamp erkende dat er ruimte voor persoonlijk taalgebruik moet zijn en dat de taal verandert. Die opmerking hadden de nieuwe samenstellers van de elfde druk overgenomen en het lijkt erop dat ze er zich consequenter aan hebben gehouden dan Kruyskamp. Typerend daarvoor is dat het label verwerpelijk niet meer gebruikt is. In de veertiende druk lijken de hoofdredacteuren Geeraerts en Den Boon de normatieve functie van de Grote Van Dale toch weer sterker te beklemtonen: "Een label bij een woord, betekenis of verbinding betekent niet dat het element in kwestie wordt afgekeurd: het gebruik ervan in de standaardtaal kan in bepaalde omstandigheden, in bepaalde contexten, met bepaalde bedoelingen zonder meer functioneel en dus volkomen verantwoord zijn. Maar naar het oordeel van de bewerkers, die zich daarmee menen te conformeren aan het gevestigde gebruik, kan men de gelabelde elementen beter niet gebruiken als men niet de bedoeling heeft zijn standaardtaalgebruik een gemarkeerd karakter te geven."

Koenen en de Hedendaagse Van Dale schrijven de vrijheid van taalgebruik hoog in het vaandel. Meer nog dan de Grote Van Dale nemen ze kromme taal op en hoeden ze zich ervoor om een oordeel te vellen over wat goed en slecht Nederlands is. Een dergelijke toegeeflijke houding maakt het iemand die zijn woordenboek raadpleegt om de norm te leren kennen, niet gemakkelijk. Het Hedendaagse Handwoordenboek wil impliciet wel de Nederlandse norm aanbieden, maar honoreert woorden en uitdrukkingen die veel Nederlandstaligen vast nog als barbarismen beschouwen. Van een woordenboek dat vooral voor scholieren bestemd is, mag je verwachten dat het dat vermeldt.

Over het algemeen is de Grote Van Dale nog altijd het meest geschikt om taalproblemen op te lossen, ook al omdat het woordenboek veel meer trefwoorden (ca. 240 000) telt dan de andere woordenboeken en bovendien meer vaste verbindingen geeft. Maar hij zeult vrij veel historische ballast mee. Wie alleen de nieuwste woorden en betekenissen wil kennen, moet de twee Hedendaagse Van Dales, Koenen of Kramers raadplegen. Het grote nadeel van de Hedendaagse Van Dales en Koenen is dat ze verwachten dat de gebruiker zelf uitmaakt of hij die modieuze ontwikkelingen wel of niet goed Nederlands vindt. Dat maakt het de (dialect of tussentaal sprekende) Vlaming die niet zo vertrouwd is met de Nederlandse norm wel extra moeilijk. Kramers daarentegen is een bijzonder waardevol woordenboek voor de Vlaming. Door zijn grote hoeveelheid materiaal uit het Belgische Nederlands is hij behalve woordenboek een echte ABN-gids. Ook de Hedendaagse Van Dale is daarvoor bruikbaar.

Deel op FacebookShare on Twitter