65% wil alleen AN op VRT, 60% vindt ook dialect prima

VRT-toren

 

De VRT krijgt begin volgend jaar een nieuwe beheersovereenkomst. De onderhandelingen daarover zijn volop aan de gang in het Vlaams Parlement. In dat kader hebben onderzoekers van de Universiteit Antwerpen een publieksbevraging gehouden, onder meer over het taalgebruik op de openbare omroep.

“Bijna twee derde van de respondenten (65,2%) vindt het belangrijk dat de VRT het Algemeen Nederlands hanteert in al haar programma’s. Ook hier zien we een significante stijging ten opzichte van 2010, toen slechts iets meer dan de helft van de respondenten (52,8%) het hiermee eens was (de gemiddelde score op deze stelling is 3,84 op 5 in 2015 ten opzichte van 3,52 in 2010). Vrouwen en oudere respondenten hechten gemiddeld meer belang aan gebruik van het Algemeen Nederlands in de programma’s van de VRT dan respectievelijk mannen en jongere respondenten. Deze bevinding wordt bevestigd door een andere vraag die we aan de respondenten stelden, namelijk deze over het gebruik van dialect in fictiereeksen en amusementsprogramma’s (Grafiek 4.20). Zes op de tien Vlamingen (59,6%) vindt dit geen probleem. Voor deze stelling liggen de cijfers in lijn met die van 2010. Een verdere analyse toont aan dat hoe ouder men is, hoe hoger de kans dat men vindt dat de VRT het gebruik van dialect moet vermijden in al haar programma’s. Ook mensen met een hogere sociaal-economische status staan gemiddeld iets kritischer tegenover het gebruik van dialect in fictie- en amusementsprogramma’s van de publieke omroep.” (De Vlaming over de VRT. Publieksbevraging 2015)

De taalonderzoeker Steven Delarue is verrast. Hij had een nog hogere score verwacht: “intussen weten we dat de modale Vlaming een hoge symbolische waarde toedicht aan het Standaardnederlands, en dan is het ook logisch dat daar voor de openbare omroep bepaalde verwachtingen aan gekoppeld worden.”

Steven Delarue merkt terecht op dat dat ene cijfer vooral een symbolische betekenis heeft. Uit een onderzoek van de VRT-studiedienst uit 2011 blijkt dat de Vlaming veel genuanceerder over omroeptaal denkt dan dat ene cijfer laat vermoeden. Daarom is het ook niet zo verrassend dat 60% van de ondervraagden geen bezwaar heeft tegen dialect in fictie en amusementsprogramma’s. Theoretisch wil de Vlaming overal standaardtaal, maar in de praktijk hoeft het niet echt. En al helemaal niet als hij zich met de spreker kan identificeren.

Ruud Hendrickx